Verduurzaming mondiale waardeketens: Vrijwillig, maar niet vrijblijvend

Line Break

Author: Bente Meindertsma (28 Articles)

UNSustainableDevelopmentGoals_Brand-02ACHTERGROND- We eten boontjes uit Kenia, dragen t-shirts die gemaakt zijn in Bengaalse fabrieken en bakken een biefstukje van koeien die gevoerd zijn met soja uit Brazilië. Via deze mondiale waardeketens zijn we verbonden aan boeren en arbeiders over de hele wereld. Ketens kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan economische groei in ontwikkelingslanden, maar leiden ook tot schending van mensenrechten, milieudegradatie en klimaatverandering. Nederland heeft zich via de Sustainable Development Goals (SDG’s) gecommitteerd aan het uitbannen van deze problemen. De overheid legt daarin een grote verantwoordelijkheid bij het bedrijfsleven; via vrijwillige sectorbrede afspraken moeten zij mondiale waardeketens gaan verduurzamen.

Internationale agenda  

Hoewel er geen apart duurzaam ontwikkelingsdoel voor mondiale waardeketens bestaat, raakt het onderwerp aan afspraken in verschillende andere SDG’s. Zo staat in SDG 8 en 12 dat alle ondertekenaars voor 2030 streven naar wereldwijde duurzame consumptie en productie en inclusieve economische groei, voldoende werk en fatsoenlijke werkomstandigheden voor iedereen. In SDG 15 is bovendien vastgelegd dat ecosystemen beschermd en hersteld moeten worden en verlies van bossen, biodiversiteit en landdegradatie een halt wordt toegeroepen. Dat vraagt niet alleen om een stevige inzet van het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar ook van ministeries als Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu.

Dat gebeurt nu nog te weinig, vindt Daniela Rosche, die namens Oxfam Novib onderhandelde voor het tot stand komen van de SDG’s. Zij is blij om te zien dat de SDG’s zo hoog op de agenda staan van het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar ze mist de implementatie op het hoogste niveau. ‘Het is niet duidelijk in hoeverre het hele kabinet achter de SDG’s staat. Als we de doelen in 2030 daadwerkelijk willen halen moeten ze  veel meer geïntegreerd worden in het beleid van alle ministeries.’ Volgens Rosche moet er centrale coördinatie voor de implementatie SDG’s op topniveau komen, van waaruit de voortgang op alle beleidsterreinen wordt getoetst. Dat gebeurt al in Zweden, dat tijdens de SDG-top in New York een groep van early adopters oprichtte dat de SDG’s vanaf het begin centraal implementeert. Volgens Tanja Gonggrijp van de Directie Duurzame Economische ontwikkeling van het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt er wel degelijk hard gewerkt aan de integratie van de SDG’s bij de andere ministeries.  ‘De millenniumdoelen waren grotendeels gericht op verandering in ontwikkelingslanden, terwijl de SDG’s van ons vragen dat we ook hier veranderingen doorvoeren. Dat is even wennen, maar het wordt steeds beter opgepakt.’ Marjan Schippers, directeur van de directie Internationale Marktordening en Handelspolitiek bij Buitenlandse Zaken wijst op de actieve inzet van de Nederlandse overheid als EU voorzitter om duurzame mondiale waardeketens op verschillende beleidsterreinen op de agenda te krijgen. ‘Mede op ons verzoek komt de Europese Comissie  voor het einde van ons voorzitterschap met een concreet actieplan voor MVO beleid binnen de EU.’

Het beleid van het ministerie van Buitenlandse Zaken is met het samenbrengen van ontwikkelingssamenwerking en internationale handel gericht op versterking van de private sector en het investeringsklimaat in ontwikkelingslanden. Verduurzaming van mondiale waardeketens en ondersteuning van producenten in ontwikkelingslanden staan hoog op de agenda. ‘Het Nederlandse beleid was van oudsher gericht op het verbeteren van mensenrechten en milieu in ontwikkelingslanden zelf’, zegt Schippers. ‘Bedrijven hier hielden zich nauwelijks bezig met het effect van hun productie elders. De overheid voert de laatste jaren actief beleid om bedrijven daarbij te betrekken.’ Met dat doel werd in 2008 het Initiatief Duurzame Handel (IDH) opgericht. IDH faciliteert de samenwerking tussen bedrijven onderling, (lokale) overheden en NGO’s en creëert een safe space om mondiale problemen als ontbossing en kinderarbeid gezamenlijk aan te pakken.

Convenanten; het instrument van de toekomst?

Minister Ploumen heeft convenanten omarmd als nieuw instrument om risico’s op mensenrechtenschendingen en milieuschade in waardeketens aan te pakken. Op haar verzoek werden in 2014 door KPMG de dertien meest risicovolle sectoren geïdentificeerd. Zij vroeg ook advies aan de Sociaal Economische Raad (SER) om te adviseren aan welke voorwaarden IMVO-convenanten tussen brancheorganisaties, van overheid, maatschappelijke organisaties en vakbonden zouden moeten voldoen om deze problemen gezamenlijk aan te pakken. Ploumen mikt op 10 convenanten  in 2016. De SER begeleidt de convenanten over textiel- en kleding en gaat mogelijk ook andere convenanten begeleiden.

In maart  werd als eerste het IMVO Convenant Duurzame Kleding en Textiel gepresenteerd waarin brancheorganisaties en bedrijven in de textielsector, de overheid en maatschappelijk organisaties afspraken vastlegden over het tegengaan van schending van arbeidsrechten en milieuvervuiling. Volgens Gerard Oonk, die als directeur van de Landelijke India Werkgroep en vertegenwoordiger van de Stop Kinderarbeid Coalitie mee onderhandelde, is het textielconvenant een eerste poging om internationale richtlijnen op nationaal niveau te implementeren. ‘Het convenant is veel minder vrijblijvend dan eerdere afspraken’, zegt hij. ‘Bedrijven worden verplicht om de risico’s voor mens en milieu in de hele keten in kaart te brengen en op basis daarvan jaarlijks een verbeterplan op te stellen. Niet alleen voor de fabriek waar de kleding in elkaar wordt gezet, maar ook voor alle stappen daarvoor. Op basis daarvan moeten ze jaarlijks een verbeterplan opstellen’  Bovendien wordt het convenant pas ondertekend als 35 bedrijven meedoen die samen minstens een derde van de markt in handen hebben. ‘Alleen op die manier wordt een convenant breed gedragen en gebeurt er ook echt wat mee’, denkt Oonk.

Hoewel het convenant door iedereen wordt gezien als een belangrijke stap voorwaarts, is er ook kritiek. Schone Kleren Campagne stapte uit de onderhandelingen omdat in het convenant geen concrete resultaatafspraken worden gemaakt over zaken als leefbaar loon en vakbondsvrijheid. Bovendien is er geen mechanisme ingebouwd om de rapportages van bedrijven te controleren. Oonk benadrukt de rol van NGO’s als waakhond om de voortgang en de kwaliteit van de rapportages te bewaken. ‘Daarmee komt er wel een zware last op onze schouders’, geeft hij toe. ‘We moeten er rekening mee houden dat er wel eens een gat kan vallen in die controle.’

Volgende week onderzoekt Vice Versa de kansen en uitdagingen voor duurzame productie in een nieuwe textielregio; de groeiende sector in Ethiopië.

Minimumeisen of race to the top?

Zowel het maatschappelijk middenveld als de overheid noemen marktwerking als belangrijke opstuwende kracht in het verduurzamen van mondiale waardeketens. ‘Bedrijven zien steeds meer het belang van duurzaam ondernemen’, zegt Daan de Wit, communicatiemanager bij IDH. ‘Dat is niet meer alleen vanuit een lange termijn visie. Het is van belang voor het veiligstellen van hun grondstoffentoevoer, maar ook voor hun reputatie.’ IDH wist de afgelopen jaren grote spelers in de ketens van grondstoffen als cacao, koffie, thee, soja en palmolie te mobiliseren voor verduurzamingsprogramma’s en slaagde erin om sectorbrede coalities te bouwen. De impact van de programma’s op de inkomens van boeren was echter bescheiden, blijkt uit een evaluatie van het IOB in 2014. Hoewel IDH haar kwantitatieve doelstellingen ruimschoots haalde is de impact van de programma’s die de afgelopen jaren uitgevoerd werden niet groot genoeg om het overkoepelende doel van duurzame markttransformatie te halen.

‘IDH wil zich de komende jaren inzetten om haar impact te vergroten’, zegt De Wit. ‘De SDG’s bieden daarvoor een goed handvat omdat de doelstellingen scherper en concreter geformuleerd zijn dan in de millenniumdoelen.’ Natuurorganisaties als het Wereld Natuur Fonds wijzen er echter op dat IDH in haar projecten het standaard ambitieniveau voor duurzame sojaproductie moet verhogen om te voldoen aan SDG 15.2: Duurzaam management van bosgebieden, ontbossing een halt toeroepen en duurzame herbebossing voor 2020. Hoewel IDH de standaard voor duurzame soja van de Round Table for Responsible Soy (RTRS) onderschreef bleek de Europese marktvraag naar RTRS soja te laag om deze standaard vast te houden. Voor soja die geëxporteerd wordt werkt IDH nu met een set van minimumeisen die met financiële steun van IDH door FEFAC, de Europese koepel voor veevoerproducenten, is ontwikkeld. Volgens Sandra Mulder van het Wereld Natuur Fonds wordt die standaard ten onrechte gepresenteerd als duurzaam. ‘Bedrijven hoeven volgens deze standaard met betrekking tot ontbossing alleen maar te voldoen aan de wetgeving van de landen waar ze de soja inkopen’, zegt zij. ‘Dat moesten ze daarvoor ook al.’ In Brazilië, de grootste exporteur van soja betekent dat voldoen aan de Forest Code, waarin ontbossing niet volledig verboden wordt. ‘Braziliaanse boeren kunnen onder deze wet legaal blijven ontbossen’, zegt Mulder. ‘Dat moet stoppen. Het probleem van ontbossing leent zich niet voor een stap voor stap aanpak, als we dat doen is er straks geen bos meer over.’  Volgens De Wit zijn Braziliaanse boeren nog te ver verwijderd van de eisen van RTRS. ‘Het is al een enorme uitdaging voor hen om op korte termijn aan de boswet te voldoen’, zegt hij. ‘We willen de sector nu eerst in beweging krijgen en zo snel mogelijk naar een bepaald niveau tillen.’

Volgende week duikt Vice Versa dieper in de sojaketen; waarom braken bedrijven de afspraak om 100% RTRS soja in te kopen en wat zijn de gevolgen daarvan voor de ontbossing in Brazilië?

Vrijwillig en verplicht

De praktijk wijst uit: bedrijven tonen steeds meer goodwill om afspraken over duurzaamheid te maken binnen hun sector, maar de prijs moet niet te hoog worden. Kan op basis van vrijwillige afspraken genoeg vooruitgang geboekt worden of is wetgeving nodig om verbetering af te dwingen? Volgens Gonggrijp van Buitenlandse Zaken kan via vrijwillige afspraken sneller resultaat geboekt worden. ‘Het opstellen van wetgeving binnen de EU is een tijdrovend proces,‘ zegt zij. ‘Bovendien zijn die afspraken wel vrijwillig, maar absoluut niet vrijblijvend.’  Volgens Oonk van de Landelijke India Werkgroep leidt dat juist tot een vreemde spagaat tussen verplichting en vrijwilligheid. Wetgeving kan volgens hem de ruggengraat vormen voor convenanten, waardoor nog scherpere afspraken kunnen worden gemaakt. ‘Ook brancheverenigingen in de textielsector hebben behoefte aan carrots and sticks,’ meent hij. ‘De overheid mag daar best wat steviger op inzetten.’

Volgens Schippers van Buitenlandse Zaken is MVO beleid allereerst een morele zaak: ‘Als wetgeving van bovenaf wordt opgelegd voelen bedrijven minder de verantwoordelijkheid om zelf stappen te zetten. De afspraken in het textielconvenant gaan veel verder dan wat je via wetgeving verplicht zou kunnen stellen.’ Rosche vindt het belangrijk om eerst te onderzoeken of wetgeving het juiste instrument is om je doel te bereiken. ‘Op het gebied van mensenrechten, milieu en klimaatverandering is wetgeving echter absoluut nodig, omdat bedrijven deze afspraken in de praktijk vaak niet vrijwillig naleven,’ zegt de medewerkster van Oxfam Novib. ‘Op het moment dat een markt echt niet zelf in beweging komt  is wetgeving een optie ’,  zegt Schippers. ‘Minister Ploumen heeft bijvoorbeeld aangekondigd te onderzoeken of er wetgeving moet komen om due dilligence verplicht te stellen. Maar dat komt pas aan de orde als er niets gebeurt.’

Reacties zijn gesloten.