Door:
Ron Keller

20 juli 2020

Categorieën

Tags

Er is geen enkel samenwerkingsverband geweest dat zo uniek en invloedrijk was als de Utstein coalitie (U4) van vier vrouwelijke ministers voor ontwikkelingssamenwerking, waaronder de Nederlandse Eveline Herfkens. Dat schrijft oud-topambtenaar Ron Keller als reactie op de recensie die Paul Hoebink schreef over een recentelijk verschenen boek over de U4.

Onlangs verscheen van de hand van Constantine Michalopoulos het boek ‘Ending Global Poverty: Four Women’s Noble Conspiracy’. Dit boek beschrijft het bijzondere samenwerkingsverband tussen vier vrouwelijke ministers voor Ontwikkelingssamenwerking (Noorwegen, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk) en Nederland), dat eind jaren negentig werd gevormd, de zogenaamde Utstein coalitie (U4). Het uitgebreide commentaar van Paul Hoebink in Vice Versa van 7 juli jl. op het boek geeft mij aanleiding het onderstaande op te merken.

Allereerst, ik heb het genoegen gehad van zeer nabij de Utstein coalitie (U4) ‘mee te maken’. Eerst, eind jaren negentig, als Directeur Buitenlandse Financiële Betrekkingen op het Ministerie van Financiën, waar ik verantwoordelijk was voor het Nederlandse beleid ten aanzien van instellingen als IMF, Wereldbank en de regionale ontwikkelingsbanken. Daarna, vanaf juni 2000 tot zomer 2005, als Directeur Generaal Internationale Samenwerking (DGIS) op het departement van Buitenlandse Zaken.

Herinneringen zijn altijd gekleurd. En is het, zeker in de complexe wereld van ontwikkelingssamenwerking, zeer moeilijk om het effect van acties van landen/ministers exact te duiden. Wat dat betreft ben ik het eens met Hoebink. Het boek van Michalopoulos worstelt zeker ook met dit vraagstuk. Toch denk ik dat er in die wereld geen coalitie is aan te merken die zo uniek en invloedrijk is geweest als de U4.

Wiel in beweging brengen

Natuurlijk waren veel, zo niet alle onderwerpen die het boek van Michalopoulos behandelt, al ter tafel voordat de Utstein Ministers zelfs maar aantraden. Hoebink wijst daar ook op. En natuurlijk waren er veel meer pleitbezorgers van door de U4 naar voren gebrachte standpunten, zoals ngo’s. Zo bezien werd het wiel niet door de U4 uitgevonden. Maar ze brachten dat wiel wel in beweging!

De U4 ministers deden dat door op de juiste momenten, bij de juiste personen en in de juiste fora. Met kracht van argumenten en van financiering, door gezamenlijk druk uit te oefenen, en ook de daad bij het woord te voegen. Daarin schuilt het bijzondere van de U4, een aspect dat Hoebink mijns inziens onvoldoende meeneemt in zijn analyse. Het momentum dat zij bewerkstelligden was uniek en heeft zich (helaas) daarna niet meer voorgedaan.

De U4 spraken niet alleen over de noodzaak tot schuldreductie, ontbinding, sectorhulp, ‘ownership’ van ontwikkelingslanden zelf, donorcoördinatie en beleidscoherentie. Ze brachten al deze begrippen ook in praktijk. Laat ik een paar concrete voorbeelden noemen:

  1. De U4 initieerden in 1999 een unieke periodieke dialoog met de Managing Director van het IMF. En hij luisterde ook naar hen, hetgeen resulteerde in een fundamentele verbetering van de wijze waarop IMF en Wereldbank schuldreductie aan effectief armoedebeleid gingen koppelen.
  2. De invloed van de U4 in internationale beleidsbepalende vergaderingen, zoals die van IMF, Wereldbank en OESO, was disproportioneel groot. Ze coördineerden hun standpunten en interventies op uiterst effectieve wijze, en waren voortdurend op zoek naar bredere coalities.
  3. De U4 sprak niet alleen over de noodzaak tot beleidscoherentie, maar er werd door hen ook concrete actie ondernomen. Zo werd in Nederland door minister Herfkens in 2000 een unieke en zeer actieve Coherentie Directie opgericht. Hoebink stelt ten onrechte dat dit onder minister Pronk al was gebeurd.
  4. Over de noodzaak tot ontbinding werd al jaren gesproken, maar pas onder minister Herfkens werd het Nederlandse gebonden technische assistentie programma geheel stopgezet (2000-2001). Andere Utstein landen volgden diezelfde praktijk.
  5. En ‘last but not least’: over de noodzaak tot meer samenhang te komen binnen en tussen de verschillende ontwikkelingsinspanningen, en liefst onder de eigen verantwoordelijkheid van het ontvangende land, werd ook al jaren gesproken, maar ook hier: de U4 bracht het in praktijk (onder minister Herfkens werd de zogenaamde sectorale benadering ingevoerd) en de U4 zette dit alles met kracht op de internationale agenda, hetgeen in 1999-2000 resulteerde in maatregelen tot meer interne samenwerking tussen VN-instellingen (UNDAF), en in 2005 in de veel bredere en unieke Parijs verklaring over coördinatie en harmonisatie van donorinspanningen (die Hoebink slechts terloops noemt).

Voorwaar geen slecht lijstje voor een coalitie die eigenlijk maar een paar jaar heeft bestaan. En die de ontwikkelingswereld een impuls gaf die heden ten dage nog voelbaar is.

 

Ron Keller

Ron Keller is Consultant en Lector Internationale Financiën en Geopolitiek. Hij was hiervoor onder andere Directeur-Generaal Internationale Samenwerking op het ministerie van Buitenlandse Zaken en ambassadeur van Nederland in de Oekraïne, Rusland, Turkije en China.

 

 

 

 

‘Het optimistische can do-toontje is ongepast’

Door Marlies Pilon | 29 juni 2022

In aanloop naar het grote debat over de nieuwe beleidsnota van minister Schreinemacher, op 30 juni, vraagt Vice Versa drie door de wol geverfde ontwikkelingsexperts alvast om een eerste reactie. Wat vinden Bram van Ojik, Paul van den Berg en Rina Molenaar ervan?

Lees artikel

Als ‘doen waar je goed in bent’ omslaat in zelfgenoegzaamheid

Door Stef Smits | 28 juni 2022

In dit opiniestuk becommentarieert Stef Smits van IRC de beleidsnota van minister Schreinemacher vanuit het waterperspectief, een thema waarin Nederland zegt te excelleren – maar slachtoffer worden van het eigen succes ligt op de loer, waarschuwt Smits. Het is tijd voor ‘nieuwe waterambities’, stelt hij.

Lees artikel

Lessen van Liesje: oftewel, hoe een gebrekkig inzicht in wereldproblemen kan leiden tot een weinig samenhangende visie

Door Ruerd Ruben | 27 juni 2022

Vandaag is het aan Ruerd Ruben om de nota van minister Schreinemacher van commentaar te voorzien. Ruben merkt een gebrekkig inzicht in de wereldproblemen op en zet er cijfers tegenover. Werk aan de winkel.

Lees artikel