Door:
Lieke Scheewe

3 december 2020

Tags

In de geschiedenis van internationaal beleid rond handicap heeft het mondiale zuiden ondanks scheve machtsverhoudingen een belangrijke rol gespeeld. Het VN Verdrag Handicap, dat door Nederland als een van de laatste landen ter wereld werd geratificeerd, daagt ook ons uit om nu eindelijk in actie te komen en ontwikkelingssamenwerking meer inclusief te maken, schrijven Lieke Scheewe (Dutch Coalition on Disability and Development) en Paul van Trigt (Universiteit Leiden).

Door Lieke Scheewe en Paul van Trigt

‘Rights for others’: zo typeert rechtssocioloog Barbara Oomen het Nederlandse mensenrechtenbeleid.[1] Nederlanders wijzen graag op mensenrechtenschendingen over de grens, maar kijken minder kritisch naar zichzelf. Waar is het enthousiasme voor de rechten van anderen als het om het VN Verdrag Handicap gaat? Het meest recente mensenrechtenverdrag, in 2016 geratificeerd door Nederland, bevat een speciaal artikel over internationale samenwerking.[2] Toch heeft het geen duidelijke plek gekregen in het mensenrechtenbeleid en wordt minder dan 2% van het ontwikkelingsbudget op een inclusieve manier besteed.[3]

De geringe aandacht voor handicap in het buitenlandbeleid kan niet liggen aan de omvang en de impact van handicaps. Wereldwijd zijn er een miljard mensen met een beperking[4]: één op de zeven mensen heeft te maken met barrières waardoor hun deelname aan de samenleving wordt belemmerd. Denk daarbij aan ontoegankelijke infrastructuur of communicatie zonder braille en gebarentaal. Die uitsluiting leidt in veel gevallen tot armoede: niet alleen bij mensen met een beperking zelf, maar bij hele huishoudens.[5] Is het dan de angst voor een geheven vingertje die Nederland weerhoudt het nieuwste VN-verdrag toe te passen? De geschiedenis leert ons dat die angst ongegrond is.

Roep uit het zuiden – 1981  

Op initiatief van Libië riepen de Verenigde Naties 1981 uit tot het ‘Internationale Jaar van Gehandicapten’. Het was geen toeval dat het idee om aandacht te besteden aan mensen met een handicap, na internationale jaren voor vrouwen en kinderen, uit het mondiale zuiden kwam. De situatie van mensen met een beperking in lage-inkomenslanden kreeg vanaf de jaren 1970 steeds meer aandacht. Met een internationaal jaar werd daar een nieuwe impuls aan gegeven.

Zo werd dat in Nederland ook begrepen. ‘Solidariteit met de derde wereld’ werd hier al snel als één van de belangrijkste speerpunten van het jaar benoemd. Toen prinses Juliana eind 1981 de VN mocht toespreken, wees zij dan ook op de verantwoordelijkheid van ‘ontwikkelde landen’ ten opzichte van ‘ontwikkelingslanden’.[6]

Nieuw perspectief op handicap?

Het internationale jaar was wereldwijd een belangrijke katalysator voor de (inter)nationale zelforganisatie van mensen met een handicap. Zij eisten steeds gecoördineerder en zelfverzekerder hun plek op. Vanaf 1981 kwam er dan ook een voorzichtige omslag in het denken over handicap. Weg van het medische perspectief waarbij een handicap uitsluitend als individueel probleem werd gezien, met enkel een medische oplossing, naar het perspectief van mensenrechten.

Wie het beleid en de praktijk van de VN in de jaren 1980 en 1990 echter volgt, ziet dat handicap toch nog vooral benaderd werd vanuit individuele ondersteuningsbehoeften (het ‘social development’ perspectief) zonder aandacht voor structurele systeemverandering. Een beleidsrichting die vooral op het conto van het mondiale noorden geschreven moet worden.[7]

De roep wordt sterker – 2006

In het nieuwe millennium brak het mensenrechtenperspectief wel door. Omdat inclusie van mensen met een beperking geen plek had gekregen in de Millennium Development Goals, startte Mexico de lobby voor een speciaal VN-verdrag.[8] En met succes: in 2002 begonnen de onderhandelingen. Activisten vreesden dat het verdrag een nieuwe variant van sociaal ontwikkelingsbeleid zou worden en geen echt mensenrechtenverdrag.[9]

copyright picture: Habtamu Abayneh, Ethiopia – Light for the World

Uiteindelijk resulteerden de onderhandelingen in 2006 in, zoals de Secretaris-Generaal van de VN het samenvatte, ‘a human rights instrument with an explicit social development dimension’.[10] Handicap was hiermee niet langer een gemarginaliseerd onderwerp binnen het sociale ontwikkelingsbeleid van de VN. Inmiddels was in 2002 ook een adviseur voor ‘disability’ bij de Wereldbank aangesteld, met als opdracht om te zorgen voor inclusie in ‘mainstream’ ontwikkelingsprogramma’s. En in Nederland was in 2000 de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD) ontstaan, met veel belangstelling vanuit de hele sector.

In de geschiedenis van internationaal beleid rond handicap heeft het mondiale zuiden, ondanks scheve machtsverhoudingen in de wereldpolitiek, dus een belangrijke rol gespeeld. Voor dit artikel spraken we met Monsur Ahmed Choudhuri, een blinde activist uit Bangladesh, in eerste instantie alleen actief op lokaal niveau. Zoals bij veel activisten begon zijn internationale betrokkenheid in 1981, toen hij de oprichtingsconferentie van Disabled People International bezocht: de eerste internationale organisatie die gerund werd door mensen met verschillende handicaps.

Monsur werd ook als eerste persoon met een handicap opgenomen in de diplomatieke delegatie van Bangladesh en participeerde actief in de onderhandelingen voor het VN Verdrag Handicap. En hij stond niet alleen: de betrokkenheid van belangenbehartigers van over heel de wereld maakte de onderhandelingen over het Handicap Verdrag uniek in de geschiedenis van het internationaal recht.

Wat hoort Nederland?

Een mooie aanleiding om daar dus ook in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid werk van te maken. Toch paste Nederland haar ontwikkelingsbeleid niet aan op basis van het verdrag: waarom niet? Naar aanleiding van een initiatiefnota die vroeg om disability mainstreaming stelde de toenmalige minister Van Ardenne in het Kamerdebat van oktober 2006[11]: “de Nederlandse regering wil niet zozeer inzetten op kleine thema’s of kleine groepen van kwetsbare mensen.” Het doelgroepenbeleid was juist afgeschaft om plaats te maken voor sectoraal beleid en “het beïnvloeden van veranderingsprocessen in ontwikkelingslanden”. De vraag hoe Nederland ervoor zou zorgen dat binnen haar sectorprogramma’s barrières voor gelijkwaardige deelname van mensen met een beperking worden weggenomen bleef onbeantwoord.

Daarmee negeerde Nederland niet alleen de eerder geschetste geschiedenis, maar ook de ontwikkelingen op lokaal niveau. Monsur vertelde ons hoe blij activisten in Bangladesh waren toen de Bengaalse overheid het VN verdrag ratificeerde. Met dit instrument in handen konden zij in eigen land de omvorming van een verouderde welzijnswet tot de ‘Disability Rights and Protection Act’ afdwingen. Ook organisaties zoals Centre for Disability and Development (1996) in Bangladesh en Ethiopian Center for Disability and Development (2005) werden door belangenbehartigers in het zuiden opgericht. Zij spoorden westerse en lokale NGO’s aan om rekening te houden met toegankelijkheid voor mensen met een beperking in ontwikkelingsprogramma’s op alle gebieden: van noodhulp, tot onderwijs, water en sanitatie en seksuele en reproductieve gezondheid.

Maar het beeld van mensen met een beperking als een kleine aparte doelgroep bleek hardnekkig. Veel NGO’s bleven vanuit een individueel-medisch perspectief werken. Toen gezondheidsprogramma’s vanaf 2011 werden uitgefaseerd leek de aandacht voor handicap dan ook bijna geheel van de ontwikkelingsagenda te verdwijnen in Nederland, zowel bij het ministerie als bij NGO’s. Prioriteiten verschoven, programmamedewerkers gezondheidszorg met expertise op handicap verdwenen en veel mainstream NGO’s trokken zich terug uit het DCDD netwerk.

Inclusie-beweging – 2015 

Met het aannemen van de Sustainable Development Goals (SDG’s) in 2015 ontstond er een bredere inclusie-beweging in de ontwikkelingssector. Internationaal zorgde de ‘disability movement’ samen met andere vergeten groepen voor een verankering van het principe leave no one behind. Bovendien werden mensen met een beperking in 5 van de 17 ontwikkelingsdoelen expliciet genoemd.[12] Een jaar later was Nederland één van de laatste landen die het VN Verdrag Handicap ratificeerde. Daarmee werden de bepalingen uit het verdrag, waaronder het “waarborgen dat ontwikkelingsprogramma’s toegankelijk zijn voor personen met een handicap en dat daarbij niemand uitgesloten wordt”[13] (artikel 32a), een wettelijke verplichting.

Werd de roep om inclusieve ontwikkelingssamenwerking nu wel gehoord? In 2015 ontstond het Voice fonds, gericht op kleinschalige empowerment projecten van gemarginaliseerde groepen, waaronder mensen met een beperking. Sinds 2020 worden er langzaam maar zeker ook stappen gezet voor meer inclusie in noodhulp, onderwijs en versterking van het maatschappelijk middenveld. Het ministerie blijft echter terughoudend in het opleggen van ‘disability inclusion’ als verplichting, bijvoorbeeld als criterium in programmavoorstellen of -rapportages.

Tijd voor grootschalige actie

Inclusie mag niet optioneel zijn. Maar het zou ook jammer zijn om het VN verdrag enkel te zien als de zoveelste verplichting of inclusie-checkbox. Wie zich verdiept in het VN-verdrag, ziet de diversiteit van betrokkenen terug in de tekst. Zo heeft het verdrag dankzij de betrokkenheid van activisten uit het noorden en zuiden duidelijk oog voor het complexe samenspel van handicap met gender, leeftijd, etniciteit en klasse. Als zodanig past het perfect bij de inclusiviteitsagenda van de SDG’s.

Het verdrag daagt ons uit om op een andere manier naar de wereld te kijken en recht te doen aan de fundamentele diversiteit van mensen. Dan zie je het verdrag voor wat het is: resultaat van een wereldwijde beweging die al lange tijd strijdt voor respect, gelijke kansen en systeemverandering. Een beweging die iedereen in de ontwikkelingssector oproept: beweeg mee! Zoals Nidhi Goyal, ‘disabled feminist’ uit India, het verwoordt: “We hebben lang genoeg gewacht. Het is nu tijd voor actie, gezamenlijke actie.”

Dit artikel is geschreven ter ere van het 20-jarige bestaan van de Dutch Coalition on Disability and Development (DCDD). Co-auteurs: Paul van Trigt is historicus aan de Universiteit Leiden. Binnen het onderzoeksproject ‘Rethinking Disability’ doet hij postdoctoraal onderzoek naar de impact van 1981 en het ontstaan van het VN Verdrag Handicap. Lieke Scheewe is coördinator en beleidsadviseur van DCDD, het platform waarin Nederlandse organisaties en experts samen leren en lobbyen voor inclusie van mensen met een beperking in ontwikkelingssamenwerking.

copyright uitgelichte afbeelding: Comprehensive Community Based Rehabilitation, Tanzania

[1] Oomen, Barbara (2014) Rights for others : the slow home-coming of human rights in the Netherlands, Cambridge: Cambridge University Press.

[2] Rijksoverheid (2016) VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap, artikel 32.

[3] The Broker (2019) An Untapped Potential: How disability inclusive is the Dutch development sector? Steps taken since the ratification of UN CRPD.

[4] WHO (2011) World Report on Disability.

[5] Scheewe, Lieke (2017) Economische voor(oor)delen van inclusie, Vice Versa.

[6] Trigt, Paul van (2019) “Inequality in Global Disability Policies since the 1970s”, in Histories of Global Inequality. New Perspectives, ed. Christian O. Christiansen and Steven L.B. Jensen, (Cham: Palgrave Macmillan), 187-206.

[7] Moyn, Samuel (2018) Not Enough. Human Rights in an Unequal World, Cambridge, MA/

London: The Belknap Press of Harvard University Press.

[8] Heyer, Katharina (2015) Rights Enabled. The Disability Revolution, From the US, to Germany and Japan, to the United Nations, Ann Arbor: University of Michigan Press.

[9] Degener, Theresia and Andrew Begg (2017) “From Invisible Citizens to Agents of Change: A Short History of the Struggle for the Recognition of the Rights of Persons with Disabilities at the United Nations.” In The United Nations Convention on the Rights of Persons with Disabilities: A Commentary, edited by Valentina Della Fina, Rachele Cera, Giuseppe Palmisano, 1-39. Cham, Switzerland: Springer.

[10] Tromel, Stefan (2009) “A Personal Perspective on the Drafting History of the United Nations Convention on the Rights of Persons with Disabilities”, European Year Book of Disability Law 1, 115-138: 117.

[11] Kamerstuk 30540, nr.4, Verslag van notaoverleg: Recht op een fatsoenlijk bestaan. Gehandicapten en ontwikkelingssamenwerking, 25 oktober 2006.

[12] UN (2018) Sustainable Development Goals and Disability.

[13] Rijksoverheid (2016) VN-Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap.

Voorbij aan de Nederlandse navel

Door Paul Hoebink | 15 april 2021

In de reeks over wat er qua ontwikkelingssamenwerking in het nieuwe regeerakkoord hoort te komen, is ditmaal het woord aan Paul Hoebink, vaste columnist van Vice Versa. ‘Als de pandemie ons íets duidelijk moet maken, dan is het dat gezondheidszorg en kennis mondiale publieke goederen zijn.’

Lees artikel

Wereld Café: Een nieuwe lente?

Door Marc Broere | 08 april 2021

Op donderdagmiddag 22 april vindt het volgende Wereld Café plaats waarin we in gesprek gaan over actuele mondiale thema’s. De tijd lijkt rijp voor nieuw activisme, maar hoe is dat ook te verzilveren?

Lees artikel

Nieuwe prioriteiten voor OS in regeerakkoord? Nee bedankt!

Door Dirk Jan Koch | 07 april 2021

In zijn nieuwe column kijkt Dirk-Jan Koch vooruit naar de passages over ontwikkelingssamenwerking (OS) in het nieuwe regeerakkoord. Hij pleit in deze column tegen het toevoegen van nieuwe prioriteiten aan de OS-agenda en stelt dat de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking een soort kerstboom is geworden die bijna bezwijkt onder alle verlichting, ballen en kransjes. Om een kwaliteitsslag te maken, is het beter om deze keer de boom juist te snoeien en geen nieuwe versieringen toe te voegen.

Lees artikel