Door:
Ellen Mangnus

8 januari 2021

Tags

‘Wat weet ik nu werkelijk van de toestand ter plekke?’ Die gedachte is Ellen Mangnus niet vreemd en zo bekijkt ze de kloof tussen de westerse en de lokale onderzoeker èn met de mens die het onderwerp is. ‘Het samenwerken van Noord en Zuid staat nog niet garant voor een passende agenda’, merkt ze. Misschien ligt het aan de richting van initiatief: wat als we het andersom doen, van Zuid naar Noord?

Ellen Mangnus. foto en copyright Leonard Fäustle

De eerste keer dat ik me een westerling voelde was op de Filipijnen. Tweeëntwintig was ik. Voor een stageopdracht bij een Nederlandse ngo mocht ik een maand veldwerk doen. ‘Hoe komt het dat vrouwen zo moeilijk aan microkrediet komen en wat kunnen we daaraan doen?’ was de vraag die ik had meegekregen. Met twee jonge vrouwen van een Filipijnse vrouwenorganisatie reisde ik vier weken lang door het hele land.

Ze gaven workshops aan groepen plattelandsvrouwen over hun rechten. In de pauzes kon ik de deelneemsters interviewen over hun ervaringen met het aanvragen van leningen. Het grootste deel van de tijd brachten we door in gehuchten. Eén keer verbleven we in een groter dorp waar ook een internetcafé was. Na de workshop vertelde ik de vrouwen dat ik graag erheen zou gaan.

Er kwam een discussie in hun Tagalog-taal op gang. Een van hen moest mij begeleiden, zeiden de dames met wie ik op reis was. Hoe ik ook benadrukte dat ik het prima vond om alleen te gaan en dat ik niet wilde dat een vrouw haar huishouden nog langer liet wachten om mij te vergezellen bij iets dat niet gezellig was: ze stonden erop.

De keuze viel op een vrouw uit de buurt, zodat de anderen voor het donker hun dorp konden bereiken. Maar ook al moest deze vrouw niet zo ver reizen, ook zij had zes kinderen thuis. Twee uur lang zat ze op een krukje naast mij, terwijl ik – opgelaten en in een razend tempo – de e-mails naar vrienden en familie schreef en mijn aantekeningen probeerde uit te werken. Ik zei meerdere keren dat ze zich echt niet bezwaard moest voelen als ze naar huis wilde gaan.

Die avond kreeg ik de wind van voren, van een van de vrouwen met wie ik reisde. ‘Je was zo respectloos. Hoe durfde je een dienst te weigeren? Gasten worden hier omarmd, welkom geheten en beschermd – en jij wimpelt hun gestes af, omdat je denkt dat je het hier alleen wel redt, je gedroeg je ronduit arrogant.’

Ik, die had willen laten zien dat ik geen speciale behandeling behoefde, dat ik de weg zelf wel zou vinden. Ik, die aangaf me bezwaard te voelen om een dame met een huishouden van zes kinderen van haar tijd te beroven, had de plank compleet misgeslagen: in plaats van de vrouw te ontzien, had ik de indruk gewekt dat ze mij tot last was. Ik had me ondankbaar opgesteld.

Hoe ‘lokaal’ ik me ook had willen voordoen door te zeggen dat ik zelf de weg wel kon vinden en dat ik geen assistentie nodig had, ik kwam er niet onderuit: ik was een vreemdeling, een westerling. Met de manier waarop ik mij had gedragen, had ik dat alleen maar onderstreept.

De ander zijn, de meeste mensen in de ontwikkelingssamenwerking zullen die ervaring kennen en zich er misschien weleens gefrustreerd door voelen. In onze jonge jaren deden we nog ons best ertegen te strijden, we poogden als ‘locals’ te leven, alsof we erbij hoorden, maak vaker dan dat we daarin slaagden, benadrukten we daarmee juist dat we ‘vreemd’ waren.

Die locals liepen niet op flipflops of zouden, indien ze zoveel geld bezaten als wij, nooit zulke afstanden te voet afleggen. Hoe je het ook wendt of keert, bij kortdurend verblijf ben en blijf je ‘de vreemdeling’. Die notie kan je moedeloos stemmen; als vreemdeling word je in veel ontwikkelingslanden hartelijk en gastvrij ontvangen, maar de onderkant van de ijsberg krijg je zelden te zien.

Zelden zul je te weten komen wat er werkelijk speelt, wat de echte problemen zijn. Hoe krijg je wezenlijk contact? Hoe bouw je relaties op als je niet als gelijke wordt gezien, integendeel, vaak als superieur? Hoe krijg je inzicht in situaties, een begrip ervan?

Je kunt het ook anders zien: het gegeven dat je een vreemdeling bent, betekent dat er een noodzaak is tot samenwerking – met mensen die wel begrip van de situatie hebben, die wel te weten kunnen komen hoe de vork in de steel zit, die kunnen identificeren waar de problemen liggen en wat de oplossing kan zijn.

Toch zijn gelijkwaardige samenwerkingen niet vanzelfsprekend, blijkt uit de artikelen en interviews in het onlangs verschenen nummer van Vice Versa. Nog steeds is het vaak die vreemdeling of westerling die de rol van ontwerper en aanvoerder op zich neemt en is de lokale partner de assistent, de uitvoerder of de vertaler.

Mogelijk heeft het te maken met de geldstromen. De westerling is als eerste op de hoogte van beschikbare fondsen, neemt het initiatief een voorstel te schrijven en betrekt een lokale partij erbij. Of is er sprake van specialisatie? Dat de verdeling van de taken gebaseerd is op ieders sterke kant? De lokale partij zit het dichtst bij de data en de doelgroep en de westerling bij het geld, de analysesoftware en de kennisplatforms?

Ook dat is niet de volledige verklaring, uit het stuk van Thea Hilhorst in het kennisdossier op de website van Vice Versa over gelijkwaardige samenwerking in de onderzoekswereld blijkt dat de reden tot taakverdeling een stuk minder nobel is. Het zou over het wantrouwen van westerse partijen gaan, die zouden maar wat graag de controle over het onderzoeksproject houden. Bovendien speelt er het persoonlijke belang hun eigen onderzoeksagenda uit te bouwen.

Te vaak worden er door deze ongelijkwaardige samenwerking niet de juiste vragen gesteld. De problemen die men lokaal ervaart, blijven onderbelicht. Als gevolg daarvan dient het onderzoek vaker de eigen agenda dan een thema dat voor de doelgroep belangrijk is. Wat zouden we daaraan kunnen doen?

Misschien moeten we het financieringsstelsel voor ontwikkelingssamenwerking en onderzoek andersom inrichten: een lokale partij de ruimte geven een Nederlandse organisatie te selecteren die haar het beste kan helpen haar vraag te beantwoorden of haar probleem op te lossen?

Maar het gaat verder dan dat. Rachael Mwikali, oprichter en coördinator van de Coalition for Grassroots Human Rights Defenders Kenya, vertelt in het nieuwe magazine dat ze het aantal onderzoekers dat iedere maand in Mathare Valley neerstrijkt frustrerend vindt. Ze vragen veel tijd van mensen en maken gebruik van gemeenschappelijke voorzieningen, maar wat brengen ze zelf?

Weinig bewoners profiteren van hun aanwezigheid. Ze is niet de enige die dit opmerkt: sloppenwijken, vluchtelingenkampen, het blijken goudmijnen van data, het wemelt er van de onderzoekers. Maar van de resultaten zien de bewoners zelden iets terug.

Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat dat ‘terugbrengen’ helemaal zo makkelijk niet is. De meeste onderzoekers reflecteren wel degelijk op de vraag: wat betekent mijn onderzoek eigenlijk voor de mensen die ik ondervraag? Hoe draagt het bij aan de verbetering van hun leven?

Ook vanuit de instellingen die onderzoek financieren is er een toenemende druk gekomen op het realiseren van maatschappelijke impact. Zeker de projecten die met ontwikkelingsvraagstukken aan de gang gaan, worden gedwongen een impactstrategie op te zetten: hoe zal dit onderzoek bijdragen aan verandering in de praktijk?

Het merendeel van de projecten beoogt dat via beleidsbeïnvloeding of het delen van kennis met ngo’s ter plekke te doen, maar zoals Mwikali opmerkt: dat zijn vaak organisaties met mensen die een salaris met zes nullen hebben en vanuit kantoren in de hoofdstad projecten optuigen. Dat daarmee de agenda van de lokale bewoners wordt gediend is betwijfelbaar, want ook lokale ngo’s hebben eigen agenda’s en moeten de projectenmolen laten draaien.

Wat ik eigenlijk wil zeggen: het samenwerken van Noord en Zuid staat nog niet garant voor een positieve ontwikkelingsagenda. Behalve het onderscheid tussen de westerse en de lokale onderzoeker, gaapt er vaak een minstens zo grote kloof tussen de lokale onderzoeker en de mensen die bestudeerd worden.

De westerse en de lokale onderzoeker spreken wel dezelfde taal, maar dat is nog niet de taal van de mensen om wie het gaat. In zekere zin is de lokale onderzoeker van een universiteit in de hoofdstad in Mathare Valley zelf ook een ‘vreemdeling’. Hij of zij staat misschien wel net zo ver van de Valley-bewoners als de westerse onderzoeker.

Hoe kunnen we vragen en oplossingen verbinden aan de werkelijke problemen? Ik denk dat het startpunt van gelijkwaardige partnerschappen ligt in vraaggestuurd onderzoek, met vragen die geformuleerd zijn door mensen en organisaties in Mathare Valley, het vluchtelingenkamp of het plattelandsdorp waar we onderzoek doen.

Dan is er nog veel onderzoek dat niet gericht is op het verbeteren van de omstandigheden van de mensen, maar op het genereren van inzichten die beleid of de wetenschap verder helpen. In dat geval moeten we handelen zoals Rachael Mwikali suggereert: door de informatiebronnen te compenseren. We moeten ze beschouwen als onderwijzers, als boeken, als datamanagers, als al die andere informatiebronnen waarvoor we betalen.

Ellen Mangnus werkt als docente bij de vakgroep milieubeleid aan de Universiteit van Wageningen. Ze promoveerde op de praktijk van kleine handelaren in West-Afrika

In debat over het Nederlandse buitenlandbeleid

Door Marc Broere | 25 februari 2021

Gisteravond vond Het Grote Buitenland Debat plaats. Acht politici gingen onder druk van de schaakklok het debat met elkaar aan over het Nederlandse buitenlandbeleid. Een verslag. Gisteravond vond Het Grote Buitenland Debat plaats. Acht politici gingen onder druk van de schaakklok het debat met elkaar aan over het Nederlandse buitenlandbeleid. Een verslag.

Lees artikel

Weg uit de twintigste eeuw

Door Lennaert Rooijakkers | 24 februari 2021

In Nederland is sinds 2013 de hulp en handel samengevoegd, maar gaan die nog wel hand in hand? In hoeverre heeft het impact en is het inclusief? Waarop moet het komende kabinet de nadruk leggen? Vice Versa vraagt drie deskundigen naar hun mening en om advies voor na de verkiezingen. Een routekaart voor de toekomst, ‘zònder de Amazone in de fik te steken of mensenrechten te schenden’.

Lees artikel

Bijt niet in het land dat je voedt

Door Marlies Pilon | 23 februari 2021

Verandering loopt veelal vast op oude ideeën, mythes die ons het zicht ontnemen, vanwege even oude belangen – terwijl de onttakeling van de wereld verdergaat. ‘In het agro-industrieel complex heeft de boer torenhoge schulden, tonnen stress en een mager salaris.’ Het kan anders, het móet anders. Twee pleitbezorgers van de agro-ecologie schetsen een echt groene toekomst, een symbiose van landbouw en natuur.

Lees artikel