Door:
Lennaert Rooijakkers

22 februari 2021

Tags

De Kamercommissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking verdwijnt na de verkiezingen haast helemaal – alleen Anne Kuik blijft over. Joël Voordewind, de nestor van de groep, zwaait af. Na vijftien jaar als Kamerlid maakt hij binnen de ChristenUnie plaats voor vers bloed. ‘Nederland moet ervoor kiezen handel veel meer hand in hand te laten gaan met mensenrechten.’

Nog even en het Kamerlidmaatschap van Joël Voordewind zit er na ruim 5.200 dagen definitief op, maar nadenken over de toekomst, dáár is hij nog niet aan toegekomen. Dat moet straks gebeuren, tijdens een kleine sabbatical van twee maanden na de verkiezingen.

Van rustig afbouwen is in het vak van parlementariër geen sprake. ‘Je werkt tot het laatste moment zestig uur per week’, zegt Voordewind. ‘Zeker in een kleine fractie, waarin ik vijf portefeuilles heb, blijft het druk.’

Er is genoeg om voor te ijveren, zegt hij. ‘Ik ben nog altijd bezig het wetsvoorstel in te dienen dat bedrijven moet verplichten op te treden tegen slavernij en uitbuiting en het actief te onderzoeken in hun productieketens.’

Het is een van Voordewinds speerpunten, waaraan hij al jaren werkt. Op het moment van schrijven (eind januari) weet hij nog niet of het lukt het vóór zijn vertrek in te dienen. ‘Anders komt het bij mijn opvolger te liggen.’

Het draagvlak

Die opvolger krijgt met een heel ander speelveld te maken dan Voordewind toen hij begon als Tweede Kamerlid, in 2006. Ontwikkelingssamenwerking stond toen nog op zichzelf, de combinatie met buitenlandse handel zou pas jaren later van de grond komen, en het was nog een onderwerp waarvoor in de samenleving een groot draagvlak bestond.

Nederland hanteerde de internationaal afgesproken norm om minimaal 0,7 procent van het bnp aan hulp te besteden. ‘De ChristenUnie maakte in 2007 deel uit van het kabinet-Balkenende IV (met CDA en PvdA, red.). In de formatie kregen we het voor elkaar om 0,8 procent eraan uit te geven – dat konden we volhouden tot 2010.’

Mede door de financiële crisis zag Voordewind het draagvlak afnemen. ‘Daarna hebben Rutte I en II flink bezuinigd en er anderhalf miljard afgehaald.’ Onder Rutte’s derde regering is het enigszins hersteld, maar de 0,7-norm is sindsdien niet meer gehaald. Voor 2021 is er 0,55 procent gereserveerd.

‘De bereidheid om voldoende geld aan ontwikkelingshulp te geven is wel wat minder geworden’, vervolgt Voordewind. ‘Dat maakte het politiek ook moeilijk om het ervoor op te nemen. De laatste drie jaar is het gelukt om er gemiddeld zeshonderd miljoen bij te krijgen, maar het ging niet zonder slag of stoot. Dus: ja, het ligt onder vuur.’

‘Maar inhoudelijk heeft het ook een golfbeweging doorgemaakt. Verschillende rapporten droegen eraan bij eens goed te kijken naar de effectiviteit van hulp, in welke sectoren we het moeten bieden en welke speerpunten we daarbij hebben. Ik vond dat een goede ontwikkeling, maar enkele rechtse partijen zagen daarin meteen een aanleiding minder geld te geven.’

De Grote Vier

Dat maakt dat de laatste jaren voor de sector werden gekenmerkt door beknibbelen en nieuwe wegen bewandelen. Maar leidden de bezuinigingen ook tot iets goeds?

Voordewind denkt van wel: ‘Er zijn meer allianties ontstaan, dat vind ik onder goed vallen. Vroeger deden alle organisaties mee aan de tender voor subsidies, als concurrenten van elkaar. Je ziet nu dat ze ook door het ministerie veel meer aangezet worden om tot samenwerking te komen. Er zijn inmiddels negentien allianties van 64 ontwikkelingsorganisaties die meer dan tweehonderd projecten uitvoeren – van water tot gezondheidszorg. Dat is een heel scala. Het is goed dat het zo van de grond is gekomen.’

Net zoals de spreiding van het geld over al die organisaties, zegt hij: ‘Dat is een groot verschil met vroeger, toen het geld vooral naar de vier grote medefinancieringsorganisaties ging (Cordaid, Hivos, ICCO en Oxfam Novib, red.), al is de koek die verdeeld wordt natuurlijk minder groot. Maar dat die Grote Vier nu in omvang nog slechts een schim zijn van wat ze ooit waren, vind ik wel een kwalijke zaak. Het was tien jaar geleden ondenkbaar geweest dat ICCO en Cordaid ertoe gedwongen zouden worden om samen te gaan – en zie wat er nu staat te gebeuren.’

Volgens Voordewind zou men juist meer moeten inzetten op hun kennis en expertise, vanwege hun grote netwerk in het Zuiden, maar dat ziet hij steeds minder gebeuren.

‘Maatschappelijke organisaties krijgen nog maar negentien procent van de financiering, dat was ooit 25 procent. Dat hebben we als streefpercentage afgesproken en zouden we moeten handhaven. De ChristenUnie zou daar graag dertig procent van maken. Die organisaties zitten veel meer in de haarvaten van de samenleving en kunnen de mensen bereiken die het echt nodig hebben. Tegelijkertijd gaat er veel meer geld naar multilaterale organisaties: in deze kabinetsperiode 42 procent van de financiering. ‘Ja, de VN-Vluchtelingenorganisatie en Unicef zijn belangrijk en kunnen snel in actie komen, maar de verdeling is nu niet in balans.’

Donor darlings

Het voorbije decennium is er in de sector een moderniseringsslag gemaakt en dat was nodig, meent Voordewind. ‘Vroeger, onder minister Pronk, werd er aan wel honderd landen geld gegeven. Dat had als voordeel dat je veel ingangen had om mee te sturen, maar het grote nadeel was dat hulpgelden versnipperd raakten over de landen heen. Het beleid is nu meer gericht op sectoren die het geld werkelijk nodig lijken te hebben. We zijn gaan nadenken: waar kan Nederland nu nog van meerwaarde zijn? En hoe voorkom je dat landen aan een infuus komen te liggen?’

‘We hebben wat minder donor darlings, zoals vroeger in Tanzania, ook omdat Nederland kijkt met welke expertise het kan bijdragen. Zoals watermanagement, landbouw vanuit Wageningen, hoogwaardige medische apparatuur. Dat herbronnen deden we aan de hand van het WRR-rapport Minder pretentie, meer ambitie, uit 2010. Eerder zette het IMF alles in op de structurele aanpassingsprogramma’s, om de economie te dwingen zich te hervormen en deels staatseigendom te privatiseren. Dat werkte niet altijd goed uit voor de allerarmsten.’

Focuslanden

Toch denkt Voordewind dat het niet onverstandig is weer eens ‘een bezinning los te laten’ op de sectoren waarin Nederland nu actief is. Hij ziet daarvoor een mooie gelegenheid in de komende kabinetsperiode.

‘Je moet kijken waar je landen structureel kunt helpen, zoals bij het bestrijden van corruptie en het innen van belasting, en daarbij oog blijven houden voor de meest gemarginaliseerde groepen – kinderen die worden misbruikt of gehandicapte kinderen in het Midden-Oosten, onder meer. Daar kunnen we veel meer gerichter beleid op maken, maar je moet niet elke drie jaar het beleid volkomen omgooien. Wil je resultaat boeken, dan moet je ook partnerschappen aangaan met de landen waarvoor je gekozen hebt.’

‘Bij de onderhandelingen voor het regeerakkoord van Rutte III zijn Libanon en Jordanië aan de focuslanden toegevoegd, omdat we daar probeerden het perspectief voor jongeren te verbeteren. Nu al ermee stoppen is niet verstandig.’

Hulp is tegenwoordig slechts de helft van het verhaal, er is ook het kopje handel. En daarin, zegt Voordewind, kunnen de echt grote stappen worden gezet. Pleit hij daarmee voor meer focus op handel, de komende jaren?

‘Dat niet, maar ik ben altijd een voorstander geweest van hulp èn handel en ik denk dat je altijd een combinatie van beide nodig hebt om de meest kwetsbare en de allerarmste mensen een steun in de rug te geven. Al zie ik in eerlijke handel een cruciaal punt voor de komende tijd. Nederland zou ervoor moeten kiezen handel veel meer hand in hand te laten gaan met mensenrechten. De Oeso-richtlijnen en het Ruggie-raamwerk (internationale normen over mensenrechten waaraan bedrijven zich dienen te houden, red.) die daarbij kunnen helpen bestaan al vele jaren, maar tot nu is de inzet veel te vrijblijvend.’

‘De grote Nederlandse bedrijven moeten het voortouw nemen, maar in de praktijk zie je dat slechts dertig procent zich eraan houdt. De uitkomsten van de laatste evaluatie zijn schrijnend: het effect op de levens van de meest kwetsbaren is nauwelijks vastgesteld. Op dat vlak is er nog een heel lange weg te gaan.’

Brusselse molens

Minister Kaag heeft daar in de ogen van Voordewind een kans laten liggen. ‘We hadden in het regeerakkoord afgesproken te evalueren wat de vrijwillige IMVO-convenanten – voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen – ons hebben gebracht en als het te weinig zou zijn, dan naar wetgeving te kijken. Nu ligt de evaluatie er en zegt ze: het is te laat om zelf wetgeving in te voeren, dus we laten het aan de EU over.’

‘We weten allemaal hoe traag de molens in Brussel draaien, dus we moeten dat niet afwachten. Vorig jaar zijn we met de commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op bezoek geweest bij de Oeso in Parijs. Ook daar zeiden ze: maak als Nederland maar je eigen wetgeving. Waarom kunnen Frankrijk, Duitsland en Engeland dat wel en wij niet?’

‘Die druk moet van onderop komen, dan wordt Brussel gedwongen te harmoniseren. Daarom ben ik samen met het MVO Platform een initiatiefwetsvoorstel aan het maken, samen met de PvdA, GroenLinks en de SP, om grotere Nederlandse bedrijven te dwingen zich te houden aan de arbeids- en milieurechten. Ik vrees dat het nog jaren gaat duren voordat hier Europees overeenstemming over is.’

Over mensenrechten en de rol van Europa gesproken: er is méér waar Voordewind zich zorgen over maakt. Zo ziet hij het investeringsverdrag dat China en de Europese Unie in december na jaren onderhandelen sloten als een voorbeeld van hoe het níet moet.

‘Al met al is het verdrag gunstig voor het Westen, maar Europa laat China gewoon wegkomen met lage arbeidsnormen. Als je het leest, dan komen mensenrechten bijna niet aan de orde en als arbeidsrechten al aan de orde komen, dan is het zeer vrijblijvend. Er staat ook niets in over de Oeigoeren of over de positie van christenen. Het is echt een gemiste kans. Weer heeft de koopman de dominee het zwijgen opgelegd – en dan te bedenken dat we hier in Nederland een jaar lang hebben gediscussieerd over Ceta, een verdrag met Canada… Ik ben bang dat dit investeringsverdrag een precedent kan scheppen en in de toekomst gebruikt wordt als een soort omzeiling van een alomvattend handelsverdrag en dat mensenrechten dus het nakijken hebben.’

Eerlijke handel

Wie Voordewind hoort spreken, krijgt niet dat indruk dat zijn tijd als Kamerlid bijna voorbij is: er is immers nog zóveel werk aan de winkel. Hij hoopt vooral dat er straks een ambitieuze nieuwe Kamercommissie komt, die samen met de nieuwe minister de hulp-en-handelsagenda een grote stap voorwaarts kan laten maken.

‘Zet je in voor eerlijke handel’, zegt hij alvast, ‘en houd oog voor de Nederlandse hulporganisaties, zorg dat we die dertig procent halen. En doe je stinkende best voor de 0,7 procent.’

Daarvoor diende hij in december met collega’s Bouali (D66) en Van Raan (PvdD) nog een motie in. ‘Daar kunnen de partijen die straks aan tafel zitten bij de onderhandelingen een voorschot op nemen, zoals de ChristenUnie en D66 de afgelopen keer deden.’

Het is de vraag of er voldoende draagvlak is om de ontwikkelingshulp weer op peil te brengen. ‘Hoelang we nog in de coronacrisis zitten zal het uitwijzen. Gaan de gedachten nog uit naar de allerarmsten, als het lang duurt? Hetzelfde zag je eerder gebeuren in de economische crisis. Ik begrijp dat je je dan eerst zorgen maakt om je rekeningen en je baan.’

Als Kamerlid zien ze hem in elk geval niet terug, bevestigt Voordewind nog eens. Waarschijnlijk zal hij straks iets gaan doen in de vluchtelingen- of verzoeningshoek, denkt hij, maar eerst dus een korte sabbatical. Is een terugkeer naar Den Haag als minister daarna wel mogelijk?

‘Eerst zal de ChristenUnie voldoende stemmen moeten halen en nodig moeten zijn om deel te nemen aan de coalitie. Dan zien we verder en zullen anderen moeten bedenken of ik daar mogelijk geschikt voor ben. Mocht ik gevraagd worden, dan zou ik dat heel eervol vinden – al moet ik het wel even goed overleggen met mijn vrouw.’

 

Paspoort

Naam: Joël Voordewind

Geboren: Sleen, 9 juli 1965

Opleiding: politicologie en internationale betrekkingen aan de Vrije Universiteit

Werkervaring: een half jaar in Irak voor Tearfund, junior beleidsmedewerker bij de PvdA-fractie, veld- en beleidswerk voor Dorcas, de EU en de VN, voorlichter bij Defensie en fractiemedewerker voor de ChristenUnie

Huidige functie: Tweede Kamerlid namens de ChristenUnie

Uitgelichte afbeelding: Anne-Paul Roukema

In debat over het Nederlandse buitenlandbeleid

Door Marc Broere | 25 februari 2021

Gisteravond vond Het Grote Buitenland Debat plaats. Acht politici gingen onder druk van de schaakklok het debat met elkaar aan over het Nederlandse buitenlandbeleid. Een verslag. Gisteravond vond Het Grote Buitenland Debat plaats. Acht politici gingen onder druk van de schaakklok het debat met elkaar aan over het Nederlandse buitenlandbeleid. Een verslag.

Lees artikel

Weg uit de twintigste eeuw

Door Lennaert Rooijakkers | 24 februari 2021

In Nederland is sinds 2013 de hulp en handel samengevoegd, maar gaan die nog wel hand in hand? In hoeverre heeft het impact en is het inclusief? Waarop moet het komende kabinet de nadruk leggen? Vice Versa vraagt drie deskundigen naar hun mening en om advies voor na de verkiezingen. Een routekaart voor de toekomst, ‘zònder de Amazone in de fik te steken of mensenrechten te schenden’.

Lees artikel

Bijt niet in het land dat je voedt

Door Marlies Pilon | 23 februari 2021

Verandering loopt veelal vast op oude ideeën, mythes die ons het zicht ontnemen, vanwege even oude belangen – terwijl de onttakeling van de wereld verdergaat. ‘In het agro-industrieel complex heeft de boer torenhoge schulden, tonnen stress en een mager salaris.’ Het kan anders, het móet anders. Twee pleitbezorgers van de agro-ecologie schetsen een echt groene toekomst, een symbiose van landbouw en natuur.

Lees artikel