Door:
jack van ham

25 oktober 2021

Tags

Jack van Ham en Bram van Leeuwen (twee voormalige ICCO-bestuurders) zien dat de waardering voor ontwikkelingssamenwerking sterk afneemt – en dat in tijden van internationale crises. Het vraagt een creatief en orgineel initiatief van politiek en samenleving: de DES-formule. Ze doen het hier uit de doeken.

Tekst: Jack van Ham en Bram van Leeuwen. 

Illustratie: Elsie Brenda Nantaba

‘Onze hele manier van leven’, schrijft Ramsey Nasr in De fundamenten, ‘is doordrenkt geraakt van achteloosheid. We zijn gaan geloven dat de basis – een veilig, gezond, openbaar leven – ons toekomt zonder meer. Dit heeft ons besmet met de idee van onkwetsbaarheid. Oorlog, dood, chaos: dat overkomt ons niet. Dat zijn andere landen, andere tijden.’

Omdat we wel beter weten is het meer dan ooit tijd voor een inspirerend buitenlandbeleid. Gelet op de steeds langer wordende lijst van diverse, ingrijpende en noodzakelijke maatregelen is de positie van degenen die bij de formatie van de nieuwe coalitie betrokken zijn een weinig benijdenswaardige. De uitdaging is groot en de ingewikkeldheid van het proces behoort ongetwijfeld tot de toptien van de  Nederlandse parlementaire geschiedenis.

Wat opvalt is dat in de lijst van onderwerpen die voortvarend opgepakt moeten worden, het ‘buitenland’ en ‘ontwikkelingssamenwerking’ marginale plaatsen en triviale aandacht krijgen toebedeeld.1 Terwijl het breed onderkend wordt dat de oplossing van de meest ingrijpende problemen – milieu, ongelijkheid, migratie en corona – een wereldwijde inspanning vereisen.

Mogelijk is een deel van de verklaring voor deze betrekkelijk beperkte aandacht voor het buitenland dat het hemd nu eenmaal nader is dan de rok. (Anders gezegd: prioriteit wordt gegeven aan het eigenbelang.) Tegelijk verschenen er de laatste jaren – mede dankzij bewegingen als Black Lives Matter en de groeiende belangstelling voor het slavernijverleden – een aantal publicaties en documentaires die een nieuw licht werpen op de Nederlandse en West-Europese geschiedenis.2

Apocalyptische beelden

De lezing van het verleden wordt – voorzichtig uitgedrukt – genuanceerder. Meer en meer worden we bewust van de doorwerking van de voorsprong, opgebouwd in de koloniale periode, in de ruimte en positie die we vandaag de dag mondiaal innemen wat economie, kenniscentra, militaire macht en milieu betreft.

Ook dat er zodoende voor minder sterke landen in de strijd om schaarser wordende middelen weinig resteert. Optimistische wetenschappers en politici stellen dat de ‘tanker van het wereldbeleid’ langzaam maar zeker, mede dankzij (!) de vele apocalyptische beelden van recente rampen, de koers lijkt te verleggen.

Of men zich nu rekent tot het kamp van de optimisten of pessimisten of de schouderophalers, voorspelbaar is dat onzekerheid en instabiliteit wereldwijd de komende jaren zullen toenemen, waarschijnlijk gepaard gaand met een toename van natuurrampen, conflicten en vluchtelingen.3

Ongeacht of de ontwikkelingen voor ons in Nederland mee of tegen zullen vallen, en of Nederland qua milieubeleid en in de strijd tegen ongelijkheid voorop of in de achterhoede loopt: het staat vast dat we ons op een andere manier tot elkaar en onze nabije en verre omgeving zullen moeten gaan verhouden.

De koers van het buitenlandbeleid

Welke implicaties heeft het voor de wijze waarop Nederland zich verhoudt tot het buitenland? Het korte antwoord is dat het niet te voorzien of te overzien is, maar het is geen optie de ogen te sluiten en net te doen alsof alles nog steeds is zoals het jaren geleden was. De wereldwijde samenleving verandert in hoog tempo, geografisch, militair en economisch, en dat heeft vergaande gevolgen.

Ongetwijfeld zullen we – terecht of niet – gerekend willen blijven worden tot landen die ‘bij de tijd’ zijn en het imago hoog willen houden als altijd bereid om een zinvolle bijdrage te leveren aan de oplossing van mondiale problemen. Met een dergelijke opstelling is immers ook ons eigen belang, om onze welvaart zo goed mogelijk in stand houden, het meest gediend.

Wanneer we evenwel durven te erkennen dat corona, ongelijkheid en de eindigheid van de aarde (de moeder van alle crises) de meest fundamentele en urgente problemen zijn, betekent het dat de EU en de VN voor ons de belangrijkste actoren zijn. Immers: alleen in samenwerking met deze netwerken kunnen we wat betreft mondiale problemen een verschil maken – in ‘eigen huis’ en in de wereld.

Het buitenlandbeleid zal daarom de komende jaren ondubbelzinnig blijk moeten geven van Nederland als loyale en betrouwbare actor, die zijn verantwoordelijkheid ten volle neemt, zowel in politiek opzicht als financieel.

Als eenvoudige leidraad voor de Nederlandse opstelling in binnen- en buitenland gelden voor de betrokkenen bij de formatie drie essentiële ijkpunten, de ‘DES’-formule:

  • Duurzamer: dragen de plannen bij aan een duurzamere wereld?
  • Eerlijker: helpen de voorgestelde maatregelen om de scheve verhoudingen in de wereld, die we sinds de koloniale hoogtijdagen tot vooral ons eigen voordeel hebben helpen ontstaan, meer in evenwicht te brengen?
  • Socialer: scheppen voorgenomen acties voorwaarden voor meer menswaardige verhoudingen op lokaal niveau?

Wanneer we de DES-formule consequent hanteren als richtsnoer voor ons handelen (nationaal èn internationaal), verschaffen we duidelijkheid en oogsten we ongetwijfeld waardering (zoals de premier van Nieuw-Zeeland). DES te sneller zal er dan een DES te betere wereld kunnen ontstaan, zoals onder anderen bepleit door Tommy Wieringa in de NRC, in maart 2021.4

Waar stoppen we mee?

Om te beginnen maken we ruimte voor nieuw denken en handelen door op te houden met ‘zelfgenoegzaamheid’ en met discussies op de vierkante loepzuivere beleidscentimeter. Zelfgenoegzaamheid blokkeert kritische reflectie en het lerend vermogen. Eindeloze beleidsdiscussies blijken overwegend geadresseerd aan de eigen parochies van beleidsmakers en leidinggevenden en resulteren in steeds ingewikkelder en meer geldverslindende meerjarige bedrijfsplannen en tenderprocedures, zonder dat de praktijk verandert.

Bovendien leiden deze procedures ertoe dat de donor aan het roer blijft staan (wie betaalt, bepaalt), ondanks de retoriek van diezelfde procedurebepalers en ontvangende donoren over het grote belang van de stem van betrokkenen uit landen waarop het beleid gericht is.5

Een belangrijk bezwaar van deze procedures is ook dat de tenders uitgezet worden voor vijf jaar en dat de plannen een voorspelbare en impliciet maakbare wereld veronderstellen, ondanks de bewering dat dat niet zo is. Geen wonder dat de gevolgde procedures steeds weer leiden tot voorspelbare, talloze malen herhaalde politiek correcte brieven en verklaringen aan Tweede Kamer en samenleving.6

We stoppen ook ermee het departement BHOS te noemen. We gaan mensen ‘daar’ niet ontwikkelen. Handel behoort niet tot het takenpakket van het ministerie dat de verantwoordelijkheid heeft op te komen voor kansarme en achtergestelde landen en volkeren. Alle andere ministeries voeren hun verantwoordelijkheden en taken uit conform de DES-uitgangspunten.7

Wat gaan we wèl doen?

  1. Om te beginnen erkennen we dat wij ‘hier’, in Nederland en Europa, mede de oorzaak zijn van het armoedeprobleem, de milieucrisis en het vluchtelingenvraagstuk in de wereld. De gewijzigde naamgeving van het ministerie – departement voor Internationale DES-samenwerking – illustreert zowel de gelijkwaardigheid van de relatie als de inzet van de samenwerking. Erkenning deel te zijn van de oorzaken van de grote mondiale vraagstukken helpt af te leren om belerend op te treden8 en schept ruimte voor openheid om beter te zien over wat hier zou moeten veranderen. De ambitie: samen met vertegenwoordigers uit andere landen werken wij ‘DES te meer’ samen om de megaproblemen tot een oplossing te brengen.
  1. Voor het departement DES reserveren we minstens één procent van ons inkomen. Dat is relatief weinig geld, wereldwijd gezien. Wij gaan er evenwel van uit dat er additioneel veel geld beschikbaar komt om corona te bestrijden, milieuproblemen aan te pakken en vluchtelingen bij te staan. Deze één procent gaat voor maximaal vijftig procent naar multilaterale en bilaterale uitgaven en is bedoeld om regeringen in armlastige landen bij te staan (conform de duurzame doelen).
  1. De andere helft wordt toegekend aan maximaal tien Nederlandse instellingen met een erkend cv op het gebied van samenwerking met maatschappelijke netwerken voor gerechtigheid en ontwikkeling elders ter wereld. Het belang om juist hieraan de hoogste prioriteit toe te kennen is gelegen in de conclusie dat zonder een vitaal maatschappelijk middenveld het wanbestuur, de corruptie, rechteloosheid en extreme armoede alle ruimte krijgen en hulp steeds weer het paard achter de wagen spannen betekent. Hoofddoel van de samenwerking van Nederlandse organisaties met de organisaties in het buitenland is opbouw en versterken van de organisaties in die landen. De aanname hierbij is dat op deze wijze zo, op de lange duur, betere voorwaarden ontstaan voor een contextspecifieke DES-samenleving.9
  1. De te selecteren Nederlandse instellingen voldoen aan de volgende zes Eén: leidraad voor hun werk is DES. Twee: operationeel beleid wordt ontwikkeld en uitgevoerd door maatschappelijke vertegenwoordigers uit de landen/regio’s waar men werkt. Drie: het operationeel beleid toont een contextspecifieke mengeling van diensten en advocacy/lobby vanuit het maatschappelijk middenveld. Vier: de verantwoordelijke Nederlandse organisatie accepteert de beleidsvoorstellen vanuit de landen/regio’s, tenzij… Vijf: volgt het principe van pas toe of leg uit, de Nederlandse organisatie werkt samen met Nederlandse partners naar keuze, gericht op bevordering van draagvlak in Nederland en/of van kwaliteit van ondersteuning van de samenwerking met netwerken in het buitenland. Zes: beleidsbeïnvloeding, gericht op Nederlandse en Europese politiek en bedrijfsleven ten behoeve van gelijkwaardige mondiale verhoudingen en verbetering van milieu en gezondheid, behoort tot de kerncompetenties van de organisatie.
  1. Evaluatie en verantwoording: primair is de geselecteerde partner hiervoor verantwoordelijk. Deze legt jaarlijks en desgewenst tussentijds verantwoording af voor gevoerd beleid. Periodieke gesprekken met vertegenwoordigers van het ministerie voor IS garanderen voldoende zicht en inzicht van het ministerie op het uitgevoerde beleid. Het ministerie als eindverantwoordelijke bepaalt hoe vaak en waar controles (inspecties) worden uitgevoerd over de beleidsuitvoering van de geselecteerde partners.

Ten slotte

Wanneer de bovengeschetste DES-principes bepalend zijn voor beleid en inrichting van Buitenlandse Zaken en Internationale Samenwerking, levert het een groot aantal voordelen op. De eenduidige richting van de inzet van het beleid is richtinggevend voor zowel beleidsverantwoordelijken als degenen die de uitvoering van het beleid beoordelen en evalueren.

In binnen- en buitenland besteden we veel tijd en aandacht aan samenwerking met partners. We doen niet langer aan voorspellingen over (precieze) uitkomsten vanuit het besef en de wetenschap dat de wereld niet maakbaar is. Dus maken we minder kosten door verslindende (tender)procedures en ingewikkelde en nutteloze evaluatie-exercities.

Wel maken we ruimte voor discussie met partners en met onze achterban over de koers en betekenis van de langjarige samenwerking als bijdrage aan het ontstaan van een ‘DES te mooiere wereld’ en vanuit het besef van onze kwetsbaarheid (zie opnieuw Ramsey Nasr in De fundamenten), ruimte en moed om verhalen van elders en de  (positieve en negatieve) rol hierin in Nederland over het voetlicht te brengen.

Jack van Ham was sinds 1978 werkzaam binnen humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking en was onder andere directeur van het Rode Kruis en van ICCO. Bram van Leeuwen werkte sinds 1976 binnen ontwikkelingssamenwerking en was onder meer projectleider en adjunct-directeur van ICCO. Ze zijn gepensioneerd in respectievelijk 2017 en 2012.

 Noot 1: Buitenlandbeleid en Internationale Samenwerking krijgen met voorspelbare, routinematige teksten een bescheiden paragraaf toebedeeld, anders dan de ronkende teksten over de meest innovatieve, duurzame en concurrerende economie ter wereld in het jaar 2030, dankzij onze hoogwaardige digitale infrastructuur, het beste onderwijs, de sterke arbeidsmarkt en goede overheidsfaciliteiten (pag. 6), zie Document of Hoofdlijnen, bijlage bij het eindverslag van informateur Hamer aan de Tweede Kamer, september 2021.

Noot 2: Illustratief in dit verband zijn niet alleen vele publicaties, waaronder het recent verschenen indrukwekkende boek Revolusie van David Van Reybrouck, maar ook het bekende gezegde uit Afrika: ‘As long as hunters tell the stories, tales of hunting will always glorify the hunter.’

Noot 3: Ten overvloede verwijzen we naar het in augustus uitgebrachte IPCC-rapport.

Noot 4: In dit essay, De oorlog tegen onze kinderen, geeft Wieringa op welsprekende wijze antwoord op de door hem opgeworpen vraag: ‘In welke wereld wil jij je kinderen laten opgroeien?’ Hij pleit onder meer voor een rechtvaardige verdeling van wat de economie op basis van duurzaamheid opbrengt, in combinatie met brede educatie, wereldburgerschap en wereldwijde gezondheidszorg. (NRC, 13 maart 2021.)

 Noot 5: Talloze beleidsnota’s sinds de jaren zeventig benadrukken het belang van de stem van de betrokken landen en volken in het voor hen bestemde ontwikkelingsbeleid. Het is wrang te moeten constateren dat na voorbereidende conferenties in Rome en Marrakesh (2003/’o4) de mondiale gemeenschap de Paris Declaration over Aid Effectiveness heeft ondertekend (2005). Een van de kernpunten om de effectiviteit te vergroten: ontwikkelingslanden beslissen mee over beleid. Enkele jaren later werd voortbouwend op Parijs in Accra de zogenaamde Accra-agenda opgesteld. Daarin staat onder meer de belangrijke rol van maatschappelijke organisaties benoemd en wordt herhaald dat donorlanden/donoren niet het beleid bepalen. Het is voorzichtig gezegd een schrale oogst, wanneer men de opbrengst van de shift the power-discussie bekijkt. De teneur van de bijdragen laat zich samenvatten:  heel moeilijk allemaal, maar er worden wel (imperfecte) stapjes gezet. (Jammer dat de op dit terrein voortvarende en vergaande stappen in de periode 2005-’11 van de vroegere MFO ICCO in het tweede decennium teniet zijn gedaan. Ja, afstand doen van macht is lastig…)

Noot 6: Een perfect voorbeeld hiervan is de blijde brief van het ministerie van 14 juli 2021 aan de Kamer over de recent afgeronde tenderprocedure voor maatschappelijke organisaties. Die heeft ruim een jaar geduurd. Resultaat is dat allerlei bekende spelers uit het middenveld een kostbaar traject hebben afgelegd in een proces van drie fases conform de regels die in een instructiedocument van 22 pagina’s stonden beschreven. Weliswaar werd er betreurd dat toch nog weinig zuidelijke organisaties rechtstreeks een tender hadden ingediend, maar gelukkig was er toch vooruitgang, want al twee organisaties waren geslaagd voor deze tender.

Noot 7: De verbreding van het takenpakket van ontwikkelingssamenwerking met buitenlandse handel bevordert dat ontwikkeling uit zicht verdwijnt en het daardoor nog meer voor de hand ligt op de posten voorrang te geven aan de handels- en politieke belangen van Nederland. In de dagelijkse praktijk zijn de prioriteiten van de ambassades allereerst het verzorgen van de politieke en handelsbelangen van Nederland; armoedevraagstukken e.d. staan lager op de agenda. Samenvoegen van belangrijke verantwoordelijkheidsterreinen in een ministerie heeft als risico dat lastige onderwerpen uit zicht verdwijnen.

Noot 8: Afgezien van de veel geciteerde uitspraak van minister Bijleveld (‘ze weten nu hoe het moet’) illustreert deze Nederlandse – onbedoeld arrogante – houding in het interview met de gevluchte tolk Abdul. Hij toont een document met het compliment dat hij kreeg van een Nederlandse majoor, voor zijn excellente werk als tolk tijdens de wederopbouw van Afghanistan, met de woorden: ‘Zijn inzet en toewijding zijn een voorbeeldige bijdrage aan de toekomst van Afghanistan.’ (De Volkskrant, 23 augustus 2021.)

Noot 9: De doelstelling is dus niet om elders samenlevingen op te bouwen naar het westerse model. Onze democratie is het resultaat van onze eigen, eeuwenlange geschiedenis. Zeker gaan we de dialoog aan met buitenlanden over waarom wij zoveel waarde hechten aan onze democratie, maar we waken ervoor dat deze vorm een-op-een overgenomen kan of moet worden. Met de vele, indringende en recente beelden van de twintigjarige westerse interventie in Afghanistan (o.a. van militairen in volledige uitrusting die in dorpen de door onszelf veelgeprezen 3D-benadering in de praktijk brengen) zal het weinig moeite kosten om per direct af te stappen van (stiekem) maakbaarheidsbeleid. In plaats daarvan gaan we koers houden op (contextspecifieke) versterking van het middenveld en van goed bestuur. De dialoog voeren we op basis van DES en wisselen uit hoe er ruimte is/blijft voor media en maatschappelijke organisaties, kwaliteit overheidsinstituties en transparantie over bestedingen.

1

2

3

4

5

6

7

8

9

Lessen van Liesje: oftewel, hoe een gebrekkig inzicht in wereldproblemen kan leiden tot een weinig samenhangende visie

Door Ruerd Ruben | 27 juni 2022

Vandaag is het aan Ruerd Ruben om de nota van minister Schreinemacher van commentaar te voorzien. Ruben merkt een gebrekkig inzicht in de wereldproblemen op en zet er cijfers tegenover. Werk aan de winkel.

Lees artikel

Vaagheid troef

Door Paul Hoebink | 26 juni 2022

Vrijdag, laat in de middag, lanceerde minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Liesje Schreinemacher haar nieuwe nota. Het is moeilijk er enige duidelijkheid, er een heldere strategie in te vinden: het is vaagheid troef, stelt Paul Hoebink.

Lees artikel

Shift the power op de universiteit

Door Marc Broere | 24 juni 2022

Robert Kajobe is een prominente wetenschapper uit Oeganda. Marc Broere bezoekt de hoogleraar met wie hij al een kwart eeuw bevriend is, voor een terugblik en om de stand van het Afrikaanse academische leven te bespreken. Onder collega’s bemerkt Kajobe nog te vaak een minderwaardigheidscomplex – en dat mogen ze wel afschudden, vindt hij. ‘Een westers idee wordt soms domweg maar geaccepteerd, ook al weet je als lokale onderzoeker dat het niet werkt, maar je bent te bang om dat aan de orde te stellen.’

Lees artikel