Door:
Dirk Jan Koch

6 december 2021

Categorieën

Tags

‘Dirk-Jan reproduceert koloniale denkbeelden in zijn les’, schreef een student onlangs op een feedbackformulier. De steen des aanstoots: Koch had uitgelegd dat een deel van de Nederlandse kolonisatoren ècht dacht met iets goeds bezig te zijn. De nieuwe generatie in de ontwikkelingssector legt de taal en woorden onder het vergrootglas – is dat terecht of onterecht?

Het is oppassen geblazen, tegenwoordig, met de woorden die ik in mijn teksten gebruik. Van sommige collega’s mogen we het niet meer hebben over ‘hulp’ en ‘ontvangers’, dat zou denigrerend zijn. We zouden het moeten hebben over ‘internationale samenwerking’ en ‘deelnemers’: met die termen creëren we volgens hen meer gelijkwaardigheid in de Noord-Zuid-relaties. Tot voor kort vond ik zulke discussies onzinnig.

Jij en ik weten immers over welk beestje we het hebben, dus waarom veel tijd aan de precieze term besteden? Laten we onze energie stoppen in hoe we de hulp effectiever kunnen maken, in plaats van de politiek correcte woordpolitie te spelen, dacht ik lang.  Bovendien: bij hongersnoden wordt er nu eenmaal voedselhulp gegeven aan hongerige ontvangers. Laten we dus niet door woorden gelijkwaardigheid insinueren die er niet is – daarmee verbloemen we structurele ongelijkheid.

Door het onderzoek van mijn promotiestudent Lena Gutheil, die op 20 december promoveert aan de Radboud Universiteit, ben ik er toch anders over gaan denken. Zij analyseert een term die zo vaak gebruikt wordt in ontwikkelingsstudies – ook door Radboud-collega’s – dat je er niet meer bij stilstaat: ‘the aid chain’, oftewel: de hulpketen. Ze laat overtuigend zien hoe zo’n ogenschijnlijk neutrale term incorrecte denkbeelden in stand houdt.

Wat zijn nu precies de associaties bij ‘hulpketen’? De meesten van ons stellen zich er een plaatje bij voor, waarbij de donor bovenaan staat en waar door middel van verschillende schakels (de internationale ngo, de lokale ngo, et cetera) de hulp uiteindelijk bij de ontvanger terechtkomt. De schakels zitten stevig vast in de keten en het geld stroomt van ‘boven’ naar ‘beneden’. In het opgeroepen beeld is er weinig zeggenschap voor lokale organisaties, laat staan voor de lokale bevolking.

De dansvloer en de machine

Om te bestuderen hoe de ‘hulpketen’ in de realiteit werkt, reisde Lena Gutheil naar Vietnam en Oeganda af om lokale partners te onderzoeken die financiering van het ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen. En daar zag ze dat veel lokale partners zich helemaal niet gedroegen als weerloze, vastgeketende partners in een hulpketen.

Ze blijken veel inventiever en flexibeler dan het geschetste beeld doet vermoeden. Ze regelden uitzonderingen op rapportageverplichtingen en sloegen bepaalde schakels in de keten over, als dat ze beter uitkwam. Lokale organisaties en veldkantoren zorgden voor meerdere financiers, zodat ze flexibiliteit hadden. De ketens bleken veel flexibeler: lokale actoren bevonden zich het ene jaar in de ene keten en het volgende jaar in een andere.

Lena en ik concluderen dat ‘hulpdans’ een veel betere metafoor is dan de keten. Heel het hulpwereldje lijkt toch meer op een dansvloer dan op een machine? Dan doet een organisatie het weer met de ene organisatie en dan weer met de andere. Sta je per ongeluk op de tenen van je donor? Dan word je niet van de dansvloer gegooid, want ook de donor heeft een danspartner nodig. Heeft een van de dansers een mooi, nieuw pasje? Dan nemen anderen op de dansvloer het organisch over. Kortom, er is behoorlijk wat vrijheid.

Natuurlijk is het niet alleen maar vrijheid, blijheid en gelijkheid op de dansvloer. Er zijn nu eenmaal dominante danspartners en er zijn volgers. Er zijn dansers met meer middelen, die zwakkere partners min of meer kunnen dwingen danspasjes uit te laten voeren die ze eigenlijk niet willen doen. Ook op de dansvloer kan er dus sprake zijn van machtsongelijkheid en dat ontkennen we niet door over de hulpdans te spreken.

Professionals die vast blijven houden aan de term hulpketen, verbinden zich dus aan een term die de macht van noordelijke organisaties overschat en de vindingrijkheid van zuidelijke organisaties onderschat of negeert. We zeggen allemaal dat we de hulp willen ‘dekoloniseren’, dan zullen we ook ons taalgebruik moeten veranderen. Dus weg met de ‘hulpketen’ en een warm welkom aan de ‘hulpdans’, de ‘ontwikkelingsdans’.

Superioriteitsdenken

De politiek correcte taalpolitie heeft af en toe een punt. Een paar werken terug stond er in OneWorld een heel debat over of we ontwikkelingslanden nog wel ontwikkelingslanden moesten noemen. Het geeft toch het idee dat wij ontwikkeld zijn en dat zij zich nog moeten ontwikkelen richting ons niveau – dus het kan als een neokoloniale term worden gezien. Na lang soebatten besloot de Wereldbank het objectievere ‘lage-lonenlanden’ te gebruiken.

Maar laten we niet in semantische discussies verzanden. Er gaan vanavond wereldwijd veertien miljoen kinderen met enorme honger naar bed. Zou het hen uitmaken of ze ‘ontvangers van ontwikkelingshulp’ zijn of ‘deelnemers aan internationale samenwerking’? Raken hun magen meer gevuld als hun landen ‘lage-lonenlanden’ worden genoemd en geen ‘ontwikkelingslanden’? Welnee! Maar: sommige woorden, zoals hulpketen, houden onterecht ons superioriteitsdenken in stand. De wereld is vaak allang veranderd – nu ons taalgebruik nog.

Dit artikel is gebaseerd op het onderzoek van Lena Gutheil, die op 20 december – om half elf ’s ochtends – bij Dirk-Jan Koch aan de Radboud Universiteit promoveert op het thema ‘Adaptief Management in Ontwikkelingssamenwerking: Beleid en Praktijk’. Het is mogelijk (digitaal) erbij aan te sluiten

‘Het optimistische can do-toontje is ongepast’

Door Marlies Pilon | 29 juni 2022

In aanloop naar het grote debat over de nieuwe beleidsnota van minister Schreinemacher, op 30 juni, vraagt Vice Versa drie door de wol geverfde ontwikkelingsexperts alvast om een eerste reactie. Wat vinden Bram van Ojik, Paul van den Berg en Rina Molenaar ervan?

Lees artikel

Als ‘doen waar je goed in bent’ omslaat in zelfgenoegzaamheid

Door Stef Smits | 28 juni 2022

In dit opiniestuk becommentarieert Stef Smits van IRC de beleidsnota van minister Schreinemacher vanuit het waterperspectief, een thema waarin Nederland zegt te excelleren – maar slachtoffer worden van het eigen succes ligt op de loer, waarschuwt Smits. Het is tijd voor ‘nieuwe waterambities’, stelt hij.

Lees artikel

Lessen van Liesje: oftewel, hoe een gebrekkig inzicht in wereldproblemen kan leiden tot een weinig samenhangende visie

Door Ruerd Ruben | 27 juni 2022

Vandaag is het aan Ruerd Ruben om de nota van minister Schreinemacher van commentaar te voorzien. Ruben merkt een gebrekkig inzicht in de wereldproblemen op en zet er cijfers tegenover. Werk aan de winkel.

Lees artikel