Door:
Lennaert Rooijakkers

3 maart 2022

Tags

Een goed partnerschap tussen een groot bedrijf en een ngo, hoe ziet dat eruit? Voor die vraag gaat Vice Versa naar Randstad, dat al zeventien jaar met ontwikkelingsorganisatie VSO (Voluntary Service Overseas) samenwerkt. Randstad-topman Jacques van den Broek en VSO-directeur Erik Ackerman doen een boekje open: ‘Soms is zo’n partnerschap als een huwelijk.’

Wie op het hoofdkantoor van Randstad, gelegen tussen Amsterdam en Diemen, een kopje koffie drinkt, ziet een bijzondere boodschap op de kartonnen bekertjes staan: ‘Imagine what we can do together’, de slogan die aan de samenwerking tussen Randstad en VSO gekoppeld is.

Jacques van den Broek, die komend voorjaar na acht jaar de leiding van het bedrijf overdraagt, legt de gedachte erachter uit. ‘We willen ermee uitdragen dat zo’n partnerschap van ons allemaal is’, zegt hij, ‘en niet een leuk project van een paar mensen. Zo’n bekertje is ook een eerste gespreksonderwerp. Veel mensen hier weten niet van de samenwerking met VSO en welke meerwaarde het voor hun persoonlijke en professionele ontwikkeling kan hebben.’

‘Zo komt het op de agenda, kun je mensen er enthousiast voor maken. Als je dat niet uitdraagt, denkt niemand: is dit handig voor mijn loopbaan? Je moet als bedrijf duidelijk laten merken dat je het partnerschap waardeert, anders kun je er net zo goed mee stoppen.’

Sinds 2004 zijn Randstad en VSO partners op het vlak van werk en inkomen in tal van Afrikaanse en Aziatische landen. Binnen de projecten worden jongeren, vrouwen en mensen met een handicap in gemarginaliseerde gebieden geholpen toegang tot de arbeidsmarkt te krijgen.

‘De kennis die Randstad heeft, brengt echt iets anders dan wij zelf in huis hebben’

Randstad stelt daarvoor zowel programmafinanciering als bedrijfsvrijwilligers beschikbaar, helpt VSO om geschikte vrijwilligers te werven en verleent toegang tot technologie en de bedrijfsnetwerken. Randstad-medewerkers die meedoen aan VSO-programma’s (vooral intercedenten, ook wel arbeidsbemiddelaars) delen hun kennis en kunde binnen de projecten en geven advies over organisatieversterking en werving en selectie.

Jacques van den Broek (links) en Erik Ackerman (rechts). Foto: Leonard Faustle

De afgelopen zeventien jaar hebben ruim driehonderd van die medewerkers een uitstapje van zes weken tot negen maanden gemaakt om hun expertise te delen – en een mooie ervaring op te doen – binnen een van de VSO-programma’s. ‘De kennis die Randstad heeft, brengt echt iets anders dan wij zelf in huis hebben’, zegt VSO-directeur Erik Ackerman. ‘Dat heeft vooral te maken met wat we carrièrebegeleiding noemen. Hoe bereid je je voor op je toekomstige werk, waar liggen je kansen, hoe kunnen we de arbeidsmarkt analyseren? Zo leren we beter begrijpen waar de private sector in – zeg – Kenia of Tanzania behoefte aan heeft en bereiden we jongeren daarop voor.’

Zo’n langlopend partnerschap, waarbij de krachten over heel de wereld gebundeld worden, doet vermoeden dat Randstad en VSO al zeventien jaar gelukkig met elkaar getrouwd zijn. Dus rijst al snel de vraag wat het geheim achter de samenwerking is.

Van den Broek wil graag een kleine kanttekening maken. ‘In het begin ging het helemaal niet zo goed’, geeft hij ruiterlijk toe. Hoe dat komt? Zonder aarzelen: ‘Het toenmalige VSO-management was behoorlijk eigenwijs. Het dacht bijvoorbeeld dat het zelf beter mensen kon selecteren voor onze gezamenlijke programma’s dan wij. Nu zijn er een paar dingen waarin Randstad misschien niet zo goed is, maar dat kunnen we nu toevallig wel heel goed. Het mooie aan zo’n partnerschap is dat het je slagkracht kan vergroten, maar dan moet een ngo zich wel openstellen voor het bedrijfsleven. En, ja: dat liep de eerste jaren niet zo lekker.’

Zo waren er wel meer manco’s in de begintijd, herinnert hij zich. Randstad-medewerkers werden vaak op projecten geplaatst waar ze niet per se iets konden bijdragen, zoals bij programma’s ter ondersteuning van lokale verkiezingen.  Of het ontbrak aan continuïteit, waardoor er niet altijd een opvolger klaarstond en de vaart uit projecten verdween. ‘Dat gebeurde te pas en te onpas’, zegt Van den Broek. ‘Het was te veel hapsnap. Daardoor waren er ook weinig mensen die je konden vertellen hoe waardevol die projecten waren.’

De samenwerking had mede daardoor na tien jaar best een stille dood kunnen sterven, denkt de topman. Toch besloten Randstad en VSO een jaar of zes geleden een soort van doorstart te maken. ‘Er was meer behoefte aan nieuw elan’, zegt Van den Broek, ‘dan om er een punt achter te zetten. Daarom hebben we ons afgevraagd: hoe hebben we het nu ooit bedoeld? Opleiden, coachen en mensen aan werk helpen, dat doen we bij Randstad elke dag, daar moesten we ons op richten. Ik durf ook wel te zeggen: als we dat toen niet hadden gedaan, dan weet ik niet of we hier nu zouden zitten. Je merkt nu ook bij VSO een veel opener houding bij het management.’

Medewerkers van Randstad aan het werk in een project van VSO op Zanzibar (foto VSO)

Wat er de afgelopen jaren concreet veranderd is? Volgens Van den Broek en Ackerman is er inmiddels veel meer focus op de impact die hun partnerschap voor jeugdwerkgelegenheid kan hebben. Bij het voorbereiden van een nieuw project wordt er nu gericht gekeken welke meerwaarde het partnerschap kan bieden en welke kennis en vaardigheden nodig zijn om het project tot een succes te maken.

Dat klinkt logisch, maar voorheen gebeurde dat ter plekke of vaak (te) laat. ‘Als ontwikkelingsorganisatie’, zegt Ackerman, ‘zijn we nog weleens geneigd van programma naar programma te springen. Voor VSO is het dus de kunst om op een andere manier te leren denken. Zeker de afgelopen twee jaar zijn we precies gaan kijken hoe we de methoden bij onze programma’s voor jongeren en werk veel meer kunnen systematiseren, zodat we niet elke keer het wiel opnieuw moeten uitvinden. Daar heeft Randstad zeer bij geholpen.’

Hij wijst daarbij naar een programma in Tanzania over beroepsopleidingen voor gemarginaliseerde jongeren. ‘Al vóór het project hebben we duidelijk in kaart gebracht: wat is er nodig, waar is behoefte aan, waar liggen de kansen op de arbeidsmarkt? ‘We hebben er een loopbaancentrum opgezet en zijn die jongeren gaan voorbereiden op de arbeidsmarkt. Ze leren daar hoe ze zich moeten presenteren, hoe ze een cv opstellen, zich voorbereiden op een sollicitatiegesprek. Dat heeft goed uitgepakt en die manier van werken passen we nu vaker toe.’

Binnenkort worden dezelfde lessen toegepast bij een nieuw project in Cambodja, waar VSO en Randstad zich richten op arme vissersgemeenschappen. ‘Het werk in die regio is veel te beperkt’, zegt Ackerman. ‘Niet iedereen kan visser worden en ook keren er veel arbeidsmigranten terug uit Thailand, die ook op zoek moeten naar een baan. Dus kijken we samen met Randstad hoe we jongeren, vaak zonder opleiding, kunnen voorbereiden op andere beroepen – misschien wel in een sector die niet erg voor de hand ligt.’

Waar daar de kansen liggen? ‘Er is vooral behoefte aan vakmensen binnen technische beroepen. We proberen ook de digitale vaardigheden van de jongeren te verbeteren, maar “tech” is nog wel een grote stap, omdat de infrastructuur niet in alle landen even goed is. Al is dat wel een sector die heel veel mogelijkheden biedt. In Kampala, de hoofdstad van Oeganda, beginnen we met een nieuw tech-programma waarmee we vijftienhonderd jongeren aan een baan proberen te helpen.’

Van den Broek vult aan: ‘Wat wij vaak zagen, bij de projecten met VSO, is dat mensen getraind worden voor banen waar er al veel te veel van zijn. Dan gaan we de discussie aan: dit trainingsprogramma is misschien wel op deze manier opgetuigd, maar kunnen we niet iets anders doen voor die mensen, bijvoorbeeld in de IT? We kijken altijd wat arbeidsmarktrelevant is en gaan dan in gesprek om een oplossing te vinden.’

Ackerman denkt dat de huidige manier van werken zowel Randstad als VSO scherp houdt: ‘Er moet in de gebieden waar we werken economische groei komen, maar we moeten ook oog hebben voor sociale ongelijkheid en de kwetsbare groepen bereiken. Dat is precies waar we in dit partnerschap voor staan.’

Een ngo moet vooral blijven doen waar ze goed in is, benadrukt hij, en dus niet ineens van koers veranderen omdat er wordt samengewerkt met een bedrijf. Uiteindelijk heeft ook het bedrijfsleven daar profijt van, denkt Ackerman. ‘Zodra er sprake is van meer democratisering en als jongeren meer gehoord worden,’ zegt hij, ‘dan is dat weer goed voor het vestigingsklimaat. Zo’n partnerschap kan echt een win-winsituatie voor ngo’s en bedrijven zijn.’

‘Zo’n partnerschap kan echt een win-winsituatie voor ngo’s en bedrijven zijn’

Wat volgens Van den Broek helpt is dat Randstad en VSO vanuit de kern dicht bij elkaar staan. ‘Randstad vindt jaarlijks voor twee miljoen mensen een baan – daar zitten ook veel mensen bij die een steuntje nodig hebben. We doen hetzelfde, tot op zekere hoogte: we proberen allebei levens te verbeteren.’

Maar verschillen zijn er ook genoeg, zegt hij met een glimlach: ‘Ik ben het type van: ga aan de slag, regel het en als het opgelost is, dan is het opgelost. Maar kijk naar de problematiek van jongeren en werk in Afrika: daar hebben wij door dit partnerschap vier- of vijfduizend mensen verder geholpen. Dat is een druppel op een gloeiende plaat. Ik denk dan al snel: dat probleem gaan we nooit oplossen met elkaar… maar bij VSO wordt zo niet gedacht. Dat elke dag weer doen en gemotiveerd zijn, dat vind ik heel knap.’

Ackerman: ‘Ontwikkelingsorganisaties gaan vaak grondig te werk – sommigen zouden zeggen: traag –, terwijl bedrijven gewend zijn veel sneller te werken. Dat moet je van elkaar weten. Binnen veel partnerschappen hebben projecten maar een looptijd van drie of vier jaar.  Onze aanloop is veel langer geweest, maar dat heeft ons wel gebracht waar we nu staan. Je moet niet alleen aan het eigen belang denken, maar je ook afvragen: wat willen we nu echt samen bereiken en waar willen we aan het eind van het jaar met trots op terugkijken?’ 

Monica Masele (34) werkt achter de kassa van een Uturn supermarkt in Tanzania. Ze kreeg haar opleiding van Randstad en VSO.

Als het aan Randstad en VSO ligt, blijft het partnerschap nog geruime tijd bestaan. Hoe zorg je ervoor dat zoiets ook innovatief en vruchtbaar blijft? Volgens Van den Broek hoeft dat niet moeilijk te zijn. ‘Elk jaar even gaan zitten en evalueren: kijken waar je staat, hoe het loopt allemaal. Soms is zo’n partnerschap als een huwelijk.’

Toch: als Ackerman en Van den Broek een dag van positie zouden wisselen, zouden ze dan niet aan een paar knoppen draaien om hier en daar wat veranderingen aan te brengen? Dat valt wel mee, zeggen ze.

Ackerman: ‘Als ik een dag op de stoel van Jacques zou zitten, zou ik een VSO-project bezoeken en die kennis van het management van Randstad inzetten voor het partnerschap. Ook zou ik nadenken hoe we elke keer een stapje verder kunnen gaan met onze projecten, in de komende vijf jaar.’

Van den Broek: ‘Ik zou zeker willen spreken over de vraag: waar gebruik je partners voor en hoe kunnen we onze slagkracht vergroten? Ik denk dat VSO nog veel meer gebruik kan maken van de kennis die er al bij Randstad zit. In de coronacrisis hebben we veel geleerd over hoe we op afstand toch projecten kunnen voortzetten. Die structuur zou ik proberen uit te breiden. Naar een betere samenwerking moet je ook op zoek blijven, want het is niet altijd vanzelfsprekend dat die er is bij publiek-private partnerschappen. Ook na zeventien jaar moet je elkaar scherp houden.’

Diit artikel verscheen eerder in de topsectorspecial van Vice Versa, een dubbeldik nummer waarop we op zoek gaan naar de innovatiekracht van de Nederlandse ontwikkelingssector. Neem nu een abonnement en ontvang het hele nummer. https://viceversaonline.nl/abonnement/

 

 

 

 

 

‘Het optimistische can do-toontje is ongepast’

Door Marlies Pilon | 29 juni 2022

In aanloop naar het grote debat over de nieuwe beleidsnota van minister Schreinemacher, op 30 juni, vraagt Vice Versa drie door de wol geverfde ontwikkelingsexperts alvast om een eerste reactie. Wat vinden Bram van Ojik, Paul van den Berg en Rina Molenaar ervan?

Lees artikel

Als ‘doen waar je goed in bent’ omslaat in zelfgenoegzaamheid

Door Stef Smits | 28 juni 2022

In dit opiniestuk becommentarieert Stef Smits van IRC de beleidsnota van minister Schreinemacher vanuit het waterperspectief, een thema waarin Nederland zegt te excelleren – maar slachtoffer worden van het eigen succes ligt op de loer, waarschuwt Smits. Het is tijd voor ‘nieuwe waterambities’, stelt hij.

Lees artikel

Lessen van Liesje: oftewel, hoe een gebrekkig inzicht in wereldproblemen kan leiden tot een weinig samenhangende visie

Door Ruerd Ruben | 27 juni 2022

Vandaag is het aan Ruerd Ruben om de nota van minister Schreinemacher van commentaar te voorzien. Ruben merkt een gebrekkig inzicht in de wereldproblemen op en zet er cijfers tegenover. Werk aan de winkel.

Lees artikel