Paul Hoebink blikt terug op zijn column van twee maanden geleden en blijft bij zijn kritiek op de IOB: ‘Ze maakt wel wat kanttekeningen bij de methodologie,’ schrijft hij, ‘maar gaat vervolgens rustig haar gang met het trekken van conclusies.’
Mijn column van 28 maart over de evaluatie van het handels- en investeringsbeleid is veel gelezen – dat streelt de columnist, maar hij heeft ook wat vraagtekens en kritiek opgeroepen. En dat ook deze columnist graag een vuurtje aansteekt, kan ik niet ontkennen.
Ik stelde toen al (met excuses voor het al te lange citaat): ‘Daartegen zou natuurlijk pleiten dat de inspectie van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking (IOB) weer een ware zware oefening heeft afgeleverd, goed gedocumenteerd om vijf casestudies van handels- en investeringsbeleid in de diepte te bestuderen, die gaan over vijf belangrijke terreinen waarop Nederland het meest actief zou zijn geweest, waar Nederland dus veel diplomatieke activiteit in zou hebben geïnvesteerd, zoals handelsbelemmeringen, investeringsbescherming en economische partnerschappen met Afrika.
‘Daar eiste Nederland een grotere transparantie, liberaler standpunten en een juiste uitvoering van het beleid, met gelijkgezinde partners, met meer en minder succes. De beleidsdoelstellingen waren weliswaar breed geformuleerd, er ontbrak een heldere, daaruit afgeleide strategie, het ontbrak aan een afwegingskader, er was een tekort aan staf, maar toch: er waren kleine en grotere resultaten.’
Dat het dus niet om een eenmalige, korte, al te kleine, oppervlakkiger, al te snelle evaluatie ging moet de lezer van mijn column al direct duidelijk zijn geweest. De kern van mijn kritiek blijft dan: ‘De IOB draait om de hete brij heen.’
Mooi dat het ministerie zich heeft ingezet voor bovengenoemde zaken. Schrijnend, misschien, dat de apparaatskosten verhoudingsgewijs fors toenemen (met zestig procent), met een hulpbudget dat fors gekelderd is, sinds het regeerakkoord van Rutte II. Het is wel opmerkelijk dat waar er forse bezuinigingen (van ruim 1,4 miljard) op de ontwikkelingsbegroting waren, de portefeuille voor private-sectorontwikkeling feitelijk ongemoeid is gebleven, met bijbehorende hoge uitvoeringskosten.
Twee gescheiden zuilen
De IOB constateert dat het invoegen van de directie Buitenlandse Economische Betrekkingen in Buitenlandse Zaken (vanuit Economische Zaken) en het toevoegen van het kopje ‘Buitenlandse Handel’ aan het takenpakket van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking op zichzelf niet heeft geleid tot een integratie van beide. Dat kwam, aldus de IOB, vooral door een gebrek aan sturing.
Er werd vooral of van uit hulpgedachten of vanuit handelsperspectief geopereerd en aangestuurd. Dat is op zich geen opmerkelijke conclusie: politici en ambtenaren kunnen wel roepen dat hulp en handel zo goed bij elkaar horen, maar dat valt nog te bezien. Hulp en Handel zijn, zo stelt de IOB, nog twee gescheiden zuilen met hun eigen, gescheiden instrumentarium, voorwaarden, budgetten en landenlijsten.
En wat de IOB niet zegt, met hun heel eigen gedachtegoed: waar in het Nederlandse ontwikkelingsbeleid het Nederlandse eigenbelang al ruim dertig jaar is uitgebannen, is dat in het handelsbeleid nog prioritair aanwezig. De IOB stipt dat even aan als ze kort aanduidt dat er negatieve uitruileffecten optreden, als men denkt hulp te kunnen inzetten voor handel.
Daarbij komt dat Nederland zijn sterke positie voor beleidsbeïnvloeding in ontwikkelingslanden heeft verspeeld. Zo geeft het geen (sectorale) begrotingssteun meer en is de stafcapaciteit op de ambassades sterk door bezuinigingen uitgehold. Kortom: Nederland is ‘minder bedeeld qua omvang, kennis en budget voor het voeren van een dergelijke dialoog’. Omdat een dergelijke dialoog ook in fragiele staten uiterst moeilijk is, zegt de IOB daarmee feitelijk dat Nederland geen serieus te nemen donor meer is.
Onmogelijke opgave
Dat alles gezegd hebbend blijf ik bij mijn stelling dat de IOB om de hete brij heen draait. Daarbij gaat het om de evaluatie van het beleid om Nederlandse bedrijven ‘bij duurzame ontwikkeling te betrekken’, onder de noemer Partners in ontwikkeling.
Allereerst haalt de IOB hier een methodologisch merkwaardige truc uit. Er zijn maar liefst 53 potjes waaruit bedrijven subsidie kunnen halen. Van 29 daarvan zijn evaluaties beschikbaar uit verschillende jaren – en uit díe evaluaties probeert de IOB dan conclusies te puren. Dat is, methodologisch gezien, natuurlijk een onmogelijke opgave: 29 verschillende opdrachten, uitgevoerd door 29 evaluatieteams van 29 geheel verschillende potjes – en dan nog 24 afwezige, waaronder zo’n belangrijke als de FMO.
Al die 53 potjes vielen ook nog eens onder verschillende directies en onder verschillende beheerders, waarbij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland verreweg de belangrijkste was. De RVO werd daarvoor overigens rijkelijk beloond met 16,1 procent overheadkosten. In totaal ging er tussen 2013 en 2020 bijna twee miljard euro naar die 53 ‘instrumenten’. De IOB maakt wel wat kanttekeningen bij de methodologie, maar gaat vervolgens rustig haar gang met het trekken van conclusies.
De IOB komt zelfs met elf aanbevelingen, van dat het beleid een duidelijke naam moet krijgen via ‘formuleer doelstellingen’ tot ‘verbeter samenwerking en afstemming’. Maar de belangrijkste – ‘rationaliseer en ruim alle rotzooi op’ – ontbreekt. Binnen de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking is er een lange geschiedenis, vanaf midden jaren zestig, waaruit blijkt dat het Nederlandse bedrijfsleven nauwelijks geïnteresseerd is in potjes voor investeerders. Dat constateert de IOB nu opnieuw. Geld daaruit halen om te exporteren en te leveren: ‘ja’, maar investeren: ‘nee’.
Conclusie: van die 53 potjes zijn er een hoop overbodig en de andere moeten gerationaliseerd worden, ondergebracht in drie instrumenten voor de drie onderwerpen die de IOB onderscheidt: integratie van maatschappelijk verantwoord ondernemen en verduurzaming van de keten, versterking van handel en investeringen en samen bijdragen aan duurzame doelen.
Het is leuk dat de IOB de handelskantoren en de samenwerking op handelsgebied evalueert, maar hier – bij al deze 53 potjes – gaat het echt om geld. In de evaluatie daarvan heeft de IOB feitelijk geen cent gestopt. Niet alleen ontbreekt een evaluatie van het grootste fonds (de FMO) en nog 22 andere, ook vaart de IOB op evaluaties die niet door haarzelf zijn gedaan. Behoudens wat plichtmatige kanttekeningen bij de gevolgde methodiek, komt men dan wel met elf aanbevelingen die geen van alle de kern raken: dat is de hete brij waar de IOB omheen draait.
Paul Hoebink is gasthoogleraar bij de master Sustainable Development van de Hochschule Rhein-Waal in Kleve
Dutch Diamond, een middel of een doel?
Vandaag lanceert minister Sjoerdsma het Dutch Diamond Partnerships-programma. Overheid, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties moeten daarin gezamenlijk Nederlandse én lokale belangen dienen. Maar eerdere ervaringen met publiek-private samenwerking laten een ongemakkelijke les zien: zodra het Nederlandse model het vertrekpunt wordt, dreigen lokale problemen zich te moeten aanpassen aan Nederlandse oplossingen. Begin daarom niet met de diamant, maar met de vraag wat er lokaal nodig is.
Lees artikelJan Pronk: Tien geboden om vrede dichterbij te brengen
Wat kan er nog worden gedaan wanneer oorlog eenmaal is uitgebroken? Jan Pronk formuleert tien aanvullende richtlijnen voor de-escalatie, onderhandelingen, humanitaire bescherming en herstel.
Lees artikelJan Pronk: Tien geboden om het uitbreken van oorlog tegen te gaan
Vrede spreekt niet vanzelf. Welke politieke keuzes kunnen voorkomen dat internationale spanningen uitlopen op oorlog? Jan Pronk formuleert tien gebiedende richtlijnen.
Lees artikel