Door:
Ruerd Ruben

1 juni 2022

Categorieën

Tags

De IOB-evaluatie van het Nederlandse hulp-en handelsbeleid, kent volgens Ruerd Ruben (emeritus-hoogleraar Wageningen Universiteit en voormalig directeur van de IOB) een blinde vlek: het refereert veel te weinig aan internationale vakliteratuur. Als dat wel zou zijn gedaan, en dus ook ervaringen van buiten Nederland zouden zijn meegenomen, ontstaat een ander beeld.

De onafhankelijke evaluatiedienst (IOB) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de aandacht gericht op het belangrijkste beleidsartikel uit de begroting: de Nederlandse bijdrage aan duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen. Ruim 80% van de 3 miljard euro die hieraan de afgelopen 7 jaar zijn besteed komen terecht bij projecten voor de versterking van de private sector en programma’s te verbetering van het investeringsklimaat in ontwikkelingslanden.

Dit zorgvuldig uitgevoerde onderzoek betreft een groot aantal verschillende instrumenten – duurzame handel (IDH), exportbevordering (CBI en NBSO’s), internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO), belastingen en economische diplomatie – en dan ligt het erg voor de hand dat de kritiek zich richt op de gebrekkige interne coherentie en het beperkte onderlinge synergie.

Maar zijn dat wel de belangrijkste lessen? En zijn de conclusies die IOB trekt wel zo verstandig? Ook al zijn er op zich nuttige programma’s en projecten uitgevoerd, dan hangt de bijdrage daarvan aan duurzame ontwikkeling toch vooral af van het waarheidsgehalte van de onderliggende ‘Theory of Change’.  Die gaat ervan uit dat ‘het (meer) betrekken van Nederlandse bedrijven moet leiden tot meer, betere, goedkopere en duurzamere resultaten op ontwikkelingsdoelen, tot de transitie van hulp naar handel, en tegelijkertijd ook tot meer handel en inkomsten voor Nederland’ (p. 52). Deze gedachtegang wordt zeker niet algemeen onderschreven en is bovendien moeilijk toetsbaar.

Het IOB-rapport is voornamelijk gebaseerd op beleidsnota’s, projectevaluaties en interviews met ambtenaren, maar refereert maar zeer beperkt aan de internationale vakliteratuur. Als dat wel zou zijn gedaan – en dus ook ervaringen van buiten Nederland zouden zijn meegenomen – dan ontstaat een ander beeld. Al sinds Jan Tinbergen wordt er gewezen op het belang van eerlijke handelsvoorwaarden en een gebalanceerd investeringsklimaat als centrale voorwaarden voordat hulp en handel kunnen bijdragen aan armoedebestrijding. VU hoogleraren als Jan Willem Gunning, Wouter Tims en Hans Linnemann hebben dit daarna nog vele malen herhaald. Het gaat dus minder om coherentie en veel meer om strategische keuzes en het bepalen van de beste volgorde. En daarbij zijn begrotingssteun, wetgeving en internationale verdragen meestal veel belangrijker dan lokale co-investeringsprojecten

Er is daarnaast een brede internationale literatuur (met auteurs als Stiglitz, Rodrik, Sacks, Alesina en Bourguignon) die wijst op de centrale rol van lokaal ondernemerschap bij het versterken van de (arbeids)productiviteit en het creëren van (deels informele) werkgelegenheid om daarmee bij te dragen aan de structurele transformaties die nodig zijn voor armoedebestrijding. Daarbij zijn investeringen in infrastructuur, (beroeps)onderwijs, toegang tot (micro)kredieten en een eerlijk rechtssysteem van het allergrootste belang om hulp te doen renderen en handel te laten floreren.

Als we deze kennis en inzichten zouden meenemen in het Nederlandse beleid, dan kunnen een paar andere beleidsaanbevelingen worden benoemd:

  • Eerst investeren in programma’s gericht op verbetering van het ondernemersklimaat (‘level playing field’) voordat er projecten met individuele bedrijven worden opgestart.
  • Focus op duurzaamheid en verantwoord ondernemerschap als Nederlandse comparatieve voordelen.
  • Wees verzekerd van enkele zichtbare korte-termijn effecten zodat er een bredere coalitie kan worden gevormd die zich richt op lange-termijn resultaten.
  • Maak ruimte voor kleine en informele bedrijven en coöperaties als vitale onderdelen van een strategie gericht op economische ontwikkeling en sociale transformatie.

Vaagheid troef

Door Paul Hoebink | 26 juni 2022

Vrijdag, laat in de middag, lanceerde minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Liesje Schreinemacher haar nieuwe nota. Het is moeilijk er enige duidelijkheid, er een heldere strategie in te vinden: het is vaagheid troef, stelt Paul Hoebink.

Lees artikel

Shift the power op de universiteit

Door Marc Broere | 24 juni 2022

Robert Kajobe is een prominente wetenschapper uit Oeganda. Marc Broere bezoekt de hoogleraar met wie hij al een kwart eeuw bevriend is, voor een terugblik en om de stand van het Afrikaanse academische leven te bespreken. Onder collega’s bemerkt Kajobe nog te vaak een minderwaardigheidscomplex – en dat mogen ze wel afschudden, vindt hij. ‘Een westers idee wordt soms domweg maar geaccepteerd, ook al weet je als lokale onderzoeker dat het niet werkt, maar je bent te bang om dat aan de orde te stellen.’

Lees artikel

Lotsverbondenheid of opportunisme? Reflecties op de beleidsnota van minister Schreinemacher

Door Vice Versa | 16 juni 2022

Op 24 juni komt de beleidsnota van minister Liesje Schreinemacher voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking uit. Een goede reden om met verschillende partijen te reflecteren over de nieuwe beleidsvoornemens. En dat doen we op donderdagavond 30 juni in Den Haag.

Lees artikel