Door:
Marc van Dijk

8 juni 2022

Tags

Samenwerking in de wetenschap tussen Noord en Zuid is nog lang niet gelijkwaardig, maar de laatste jaren is het wel degelijk verbeterd. Aan het eind van deze serie gaan een Britse en een Zuid-Afrikaanse expert terug naar de basis: hoe kun je als onderzoeker of onderzoeksfinancier echt verschil maken in de wereld? Het antwoord is eenvoudig: vergeet nooit de verbinding met de lokale gemeenschap te leggen.

De Wageningse hoogleraar in de plantaardige productiesystemen Ken Giller weet hoe het is als je in een lagelonenland zit en financiering voor onderzoeksvoorstellen probeert te vinden. Toen hij een tijd als professor aan de Universiteit van Zimbabwe werkte, merkte hij hoe moeilijk het was om een eigen strategie te ontwikkelen: ‘Omdat er voortdurend mensen op de afdeling verschenen of e-mails stuurden met een mededeling in de trant van: “We hebben een project over dit en dat, dat we samen met jullie willen uitvoeren.”’

Hij vervolgt: ‘Of dat ook in onze agenda paste was niet eens onderwerp van gesprek. In een extreem geval liep een volslagen vreemdeling de afdeling op en zei: “Ik kom hier om jullie onderwijsprogramma te herzien” – zonder dat wij daar om gevraagd hadden! Vanwege het gebrek aan middelen voor onderzoek binnen die Zimbabwaanse universiteit waren mijn collega’s geneigd om op elke westerse trein te springen die voorbijkwam.’

Ook onderzoeksstrateeg Prudence Makhura, verbonden aan het Zuid-Afrikaanse nationale wetenschapsfonds NFR (National Research Foundation), kent alle problemen die in deze serie over gelijkwaardige samenwerking in de wetenschap aan de orde zijn gekomen. Zoals de ‘parachutewetenschappers’, over wie Ken Giller onlangs een artikel publiceerde: onderzoekers die een land bezoeken zonder er een band mee op te bouwen – gericht op snelle resultaten, op jacht naar data die de Afrikaanse onderzoekers worden geacht aan te leveren zonder verder veel vragen te stellen.

Maar zelfs als de intenties goed zijn en er wèl een gelijkwaardige band wordt aangegaan, is een van de grootste problemen in Makhura’s ogen de focus op de korte termijn. In sommige vakgebieden waar zij zich mee bezighoudt – voedselproductie en duurzame landbouw, bijvoorbeeld – worden veel resultaten nu eenmaal pas na vele jaren zichtbaar.

‘Ik vind het frustrerend als we onderzoek financieren en de echte impact niet zien’, zegt ze. ‘Het idee om onderzoek twee of drie jaar te ondersteunen, het programma af te sluiten en dan naar een andere financieringscyclus van twee of drie jaar over te gaan is niet erg vruchtbaar. Er moet aandacht zijn voor de duurzaamheid van onderzoeksprojecten. Het is onze verantwoordelijkheid, zowel van financiers als onderzoekers, om ervoor te zorgen dat de onderzoeksresultaten daadwerkelijk door het beoogde publiek worden gebruikt, of het nu beleidsmakers, ambtenaren of boeren zijn.’

Elementaire vragen

Giller en Makhura denken graag over eerlijkheid en gelijkwaardigheid in wetenschappelijke samenwerking na – begrippen die in deze artikelenreeks van Vice Versa en NWO-Wotro centraal stonden –, maar zonder in specialistische discussies te duiken. Liever gaan ze terug naar de basis en dragen ze concrete oplossingen aan.

Ken Giller

‘We moeten de meest elementaire vragen blijven stellen’, zegt Giller. ‘Wat betekent ons werk voor de allerarmsten? Ik heb momenteel een onderzoek lopen waarin we mondiaal naar gelijkheid in voedselsystemen kijken. Ik probeer te begrijpen hoe technologie en technologische interventies vóór de armen kunnen werken – want eerlijk gezegd gebruiken we die woorden vaak, maar armen zijn vaak zó arm dat sociale bescherming en betere voedselvoorziening waarschijnlijk de enige dingen zijn die hen echt helpen.

‘En het is eigenlijk heel moeilijk om met technische innovatie bezig te zijn en financiering te krijgen voor onderzoeksprojecten die de allerarmsten echt een dienst bewijzen. Dus dit is een essentiële focus en we kijken hier vanuit verschillende, contrasterende landen naar.’

Prudence Makhura is het er geheel mee eens, en denkt dat dit ook om meer bewustwording bij de onderzoekers zelf vraagt, zowel in het Noorden als in het Zuiden. ‘Zij zien zichzelf vaak vooral als kennisproducent’, zegt ze, ‘en dat is maar goed ook. Als financiers van onderzoek met publieke middelen reikt onze verantwoordelijkheid alleen verder dan kennisproductie. Voor financiers zoals de NFR is het belangrijk om te investeren in onderzoek dat de potentie heeft om samenlevingen te beïnvloeden.

‘Nieuwe kennis en inzichten uit wetenschappelijk onderzoek kunnen een grote bijdrage leveren aan oplossingen voor huidige en toekomstige maatschappelijke vraagstukken. Voorbeelden zijn de energie- of groene transitie, gezondheid, klimaatverandering. Kennisbenutting vergroot de kans op maatschappelijke impact van onderzoek en moet daarom worden gezien als een wezenlijk aspect van de samenwerking tussen Noord en Zuid.’

De eigen strategie

In dit opzicht heeft de covidpandemie blijvende lessen opgeleverd, meent Makhura. ‘Scheidingsmuren vielen weg, onderzoekers kwamen samen met belanghebbenden om te proberen alle verschillende coronavarianten te begrijpen en oplossingen te bieden. Dit is het soort onderzoek dat het verschil maakt en dat is voor mij de crux. Door betrokken te zijn bij het ondersteunen van covidgerelateerd onderzoek, hebben we geleerd dat door interactie en afstemming tussen onderzoekers en mogelijke gebruikers van kennis de kans op kennisbenutting en daarmee de maatschappelijke impact toeneemt.’

Of verandering vooral van onderzoekers of van onderzoeksfinanciers moet komen, blijft een lastige vraag. Het ligt zeker niet altijd in de macht van individuele onderzoekers om de agenda te bepalen of te veranderen, maar een bewuste houding van onderzoekers en onderzoeksleiders kan al veel gewicht in de schaal leggen. Zo besloot Ken Giller toen hij in Zimbabwe zat na een jaar samen met zijn collega’s om het radicaal anders te doen.

‘Op een dag zaten we bij elkaar en zeiden we: “Vanaf nu gaan we erop aandringen om op onze eigen strategie te focussen.” De volgende keer dat er iemand aanklopte die zei: “We hebben een mooi project voor jullie, willen jullie dit en dat voor ons doen?” hebben we gezegd: “We staan open voor samenwerking, maar dit zijn onze prioriteiten. Als je kunt zorgen dat jullie voorstel daarin past en we het samen kunnen ontwikkelen, ben je welkom. Zo niet, dan is daar de deur.”’

Enkele jaren later, toen de Bill & Melinda Gates Foundation erop gebrand was om samen met Ken Giller en zijn collega’s een groot project – ter waarde van tientallen miljoenen dollars – in Afrika te ontwikkelen als ze met een goed onderzoeksvoorstel kwamen, werkte die les nog door.

‘Het eerste wat we deden’, zegt Giller, ‘was een reeks workshops met partners organiseren om te zorgen voor een sterk lokaal eigenaarschap en een betere inbedding in de betrokken landen. Ik kan vanuit Wageningen geen geloofwaardig onderzoek in Afrikaanse landen doen zonder sterke partners in die landen zelf. Ook al krijg je veel geld aangeboden – en ik zou in mijn carrière nooit een groter budget krijgen dan voor dit project –, je moet hoe dan ook de samenwerking en de beoogde begunstigden serieus nemen en daar goed op letten.’

Grote ideeën en politieke doelstellingen

Dat kan soms betekenen dat de richting moet veranderen, zegt Giller. ‘We hebben veel onderzoek in Afrikaanse landen gedaan waar we boeren vroegen: “Wat zijn jullie grootste beperkingen?” Steevast hoorden we: “Het land is snel uitgeput en we willen het weer vruchtbaar maken.” Ze zeiden dus niet: “We willen graag overstappen op ecologische landbouw om onze uitstoot te verminderen.” Nee, ze wilden hun productiviteit verhogen – en dat kan niet zonder externe toevoegingen, zoals (kunst)mest.

‘Dan moet je daar dus gewoon aan gaan werken. Veel van mijn onderzoek gaat over stikstofbindende gewassen. Zo stimuleren we de planting van peulvruchten, zoals bonen en aardnoten: zeer eiwitrijk en dus voedzaam, en ook goed voor de bodemvruchtbaarheid.

‘En dan zit er ook nog eens een genderaspect aan, want in de praktijk worden die gewassen veelal voor huishoudelijke consumptie gekweekt – ze worden vaak vrouwengewassen genoemd. Ze komen in de huishoudens terecht, die gerund worden door vrouwen, in plaats van op de markt. Dit is allemaal niet door ons bedacht; in elk land zochten we intensief om te achterhalen wat de lokale behoeften waren.’

De gevaarlijkste elementen zijn volgens Ken Giller de grote ideeën en politieke doelstellingen waarmee vanuit welvarende landen projecten worden opgezet. Dat gebeurt vaak, zowel door grote particuliere stichtingen als door overheidsfondsen. ‘De Europese Green Deal hanteert momenteel als doel: 25 procent biologische landbouw in Europa. En tegelijkertijd promoten alle onderzoeksoproepen met betrekking tot Afrika vanuit de Europese Unie agro-ecologie en pleiten ze ervoor dat het gebruik van inputs (zoals meststoffen en dergelijke) moet worden verminderd.

‘Ik denk dat dit in Afrika totaal niet op zijn plaats is. Het is een puur Europese kijk op de wereld, die laat doorschemeren: “Als je ons geld wilt, dan is dit waar we aan gaan werken.” Natuurlijk zijn er sterke redenen om de stikstoftoevoer in delen van Europa te verminderen, en dat is zeer relevant voor ons, maar niet op het Afrikaanse continent.’

De context van duurzaamheid

Hetzelfde geldt volgens Giller voor land sparen en land delen. ‘Er is een geweldig rapport van het European Centre for Development Policy Management (ECDPM) in Maastricht over het effect van de Europese Green Deal in Afrika. Als wij onze opbrengsten in Europa verminderen, terwijl we tegelijkertijd ons consumptiepatroon niet veranderen, dan zal datgene wat we willen consumeren in feite elders ter wereld worden geproduceerd.

‘We verschuiven het probleem dus eenvoudig van Europa naar andere delen van de wereld. Wij kunnen ecologisch gaan boeren en onze natuurgebieden en bossen behouden, dat is prachtig, maar ecologische landbouw heeft een lagere oogst per hectare – dus je hebt veel meer land nodig. En waar komt die ecologische voetafdruk terecht, waar moet er zodoende meer natuur verdwijnen? Het is niet moeilijk te bedenken dat het tot natuurverlies in de tropen leidt.’

Is duurzaamheid dan niet voor de hele aarde belangrijk? ‘Jawel,’ zegt hij, ‘maar de vraag is wat duurzaamheid precies betekent. We kunnen het eens zijn over globale duurzaamheidsdoelen – alles wat ik doe valt onder dergelijke grote doelstellingen –, maar de vraag is wel hoe je die naar lokale contexten vertaalt, en dan moet de uitwerking op de ene plaats totaal anders zijn dan elders.’ 

Gelukkig hoeft het niet héél ingewikkeld te zijn om de belangrijkste problemen rond gelijkwaardigheid aan te pakken. Volgens Ken Giller kan het al een enorm verschil maken wanneer aan het begin van grote projecten eerst een aantal korte, intensieve workshops wordt gehouden in de landen die bij het onderzoek betrokken zijn.

‘Dat is de laatste jaren gebruikelijk geworden voor kansrijke projecten in de eerste fase. Daarvoor is dan zo’n vijftienduizend euro beschikbaar, om gezamenlijke workshops te houden waarin het idee verder kan worden uitgewerkt, meestal in het land waar het onderzoek zich afspeelt, samen met de lokale onderzoekers en andere belanghebbenden. Dus ook luisterend naar andere, bredere potentiële begunstigden van het onderzoek, zoals lokale boeren.’

Maar wat als een project vervolgens niet doorgaat? Dan zijn er lokaal wel verwachtingen gewekt. ‘Ik heb dat meer dan eens meegemaakt,’ zegt Giller, ‘maar ik denk dat het vanwege de concurrerende financieringsmodellen in de wetenschap een onvermijdelijk en acceptabel risico is. Die teleurstelling hoort er soms bij en de kennis die uit de workshops wordt gegenereerd, kan in de toekomst alsnog worden gebruikt. Het is een krachtige manier om ervoor te zorgen dat onderzoek wordt afgestemd op de lokale behoeften.’

Synergie en samenhang

Het klinkt Prudence Makhura als muziek in de oren. ‘Het onderzoek dat we financieren moet op zijn minst nieuwe inzichten opleveren voor betere beleidsvorming, het moet relevant zijn en potentieel hebben voor impact buiten de academische wereld, zoals op maatschappelijk, technisch, economisch of cultureel gebied.

‘Bovendien wordt maatschappelijke impact vaak alleen gerealiseerd in de jaren nádat een onderzoeksproject is afgerond. Om een ​​langdurige samenwerking te verzekeren, moet de nadruk worden gelegd op uitwisselingen tussen onderzoekers en belanghebbenden, waarbij kennis wordt geproduceerd en gewaardeerd.

‘Om dat te doen, moeten onderzoekers in staat zijn de juiste onderzoeksvragen te formuleren en de activiteiten in hun onderzoeksproject samen met potentiële eindgebruikers uit te voeren. Daarom zijn lokale verbintenissen, monitoring, evaluatie en capaciteitsversterking allemaal noodzakelijke elementen om te zorgen voor een betrokken onderzoek met goede gevolgen op de lange termijn.’

Prudence Makhura

Investeren in langetermijnprojecten is een andere manier om deze voordelen van onderzoek te waarborgen. Het is een van de redenen waarom de NFR zich heeft aangesloten bij het consortium van de Afrikaanse en de Europese Unie dat aan het creëren van een bicontinentaal samenwerkingsplatform voor de lange termijn werkt, op het gebied van voedsel- en voedingszekerheid en duurzame landbouw.

Makhura: ‘Dat platform heeft tot doel de synergie en samenhang tussen de verschillende Afrikaanse en Europese belanghebbenden te vergroten – denk aan onderzoekers, beleidsmakers, vernieuwers, boeren, financiers en ngo’s. We willen de impact van onderzoeksprogramma’s vergroten door nieuwe institutionele allianties en kennisclusters te creëren.

‘Het platform zal ook gericht zijn op het ontwikkelen van een leeromgeving voor alle actoren èn van een grote kennisbank, met inbegrip van monitoring-, evaluatie- en leeractiviteiten, waarbij verbanden worden gelegd tussen diverse initiatieven om de samenwerking te verbeteren. Het uitgangspunt is om de versnippering weg te werken en de samenhang te vergroten, door al onze inspanningen op elkaar af te stemmen voor een langetermijnperspectief.

‘Dit platform heeft de potentie om aanzienlijk bij te dragen aan relevante beleidsontwikkeling, innovatie te stimuleren en de creativiteit en expertise van alle belanghebbenden te ondersteunen, of het nu op nationaal, subregionaal of continentaal niveau is.’

Beter naar elkaar luisteren

Het platform zal ook zeker bijdragen aan de gelijkheid in de samenwerking tussen wetenschappers uit het Mondiale Noorden en Zuiden, al is ook dat een langetermijnproject. Ken Giller: ‘Er zullen altijd verschillen zijn in termen van macht. Ik weet dat ik een blanke, Angelsaksische, mannelijke professor ben aan een internationaal toonaangevende landbouwuniversiteit. Dat is een gegeven, dat moet je niet ontkennen. Het enige wat je moet doen is eerlijk en bewust zijn en proberen je uiterste best te doen om te luisteren.

‘Ik denk dat bijna alle ethische vraagstukken in de wetenschap kunnen worden opgelost door beter naar elkaar te luisteren. Vervolgens kun je aan capaciteitsopbouw doen – oftewel: jonge wetenschappers opleiden –, waardoor het Zuiden steeds sterker wordt. En je moet zoeken naar complementaire krachten in de samenwerking. Samen kunnen we experimenten en laboratoriumwerk doen dat in veel andere landen niet mogelijk is.’

Dat gelijkwaardigheid in de wetenschappelijke samenwerking tot betere resultaten leidt, staat voor Ken Giller als een paal boven water. Het is volgens hem niet alleen een kwestie van ethische zuiverheid, maar ook een enorme inhoudelijke verrijking – en in zekere zin wordt de gelijkwaardigheid volgens Giller elke dag al gerealiseerd.

‘Ik heb tijdens mijn loopbaan meer dan zestig promovendi uit het Mondiale Zuiden opgeleid, van wie meer dan vijftig uit Afrika. En met veel van die mensen ben ik de afgelopen dertig jaar blijven werken, tot op de dag van vandaag. We zijn collega’s, we zijn vrienden, we kennen elkaars families – we zijn samen als wetenschappers gegroeid. En ik heb altijd minstens zoveel geleerd als zij, aan het eind van een project.’

Voor goed onderzoek naar inclusieve mondiale ontwikkeling is het essentieel om samenwerkingen gelijkwaardig op te zetten. In deze serie onderzoeken Vice Versa en WOTRO Science for Global Development de dynamiek van Noord-Zuid-samenwerking in de wetenschap. Wat gaat er goed en wat moet er beter? De reeks is een vervolg op een eerdere serie artikelen over de rol van wetenschappers in het publieke debat.

‘Het optimistische can do-toontje is ongepast’

Door Marlies Pilon | 29 juni 2022

In aanloop naar het grote debat over de nieuwe beleidsnota van minister Schreinemacher, op 30 juni, vraagt Vice Versa drie door de wol geverfde ontwikkelingsexperts alvast om een eerste reactie. Wat vinden Bram van Ojik, Paul van den Berg en Rina Molenaar ervan?

Lees artikel

Als ‘doen waar je goed in bent’ omslaat in zelfgenoegzaamheid

Door Stef Smits | 28 juni 2022

In dit opiniestuk becommentarieert Stef Smits van IRC de beleidsnota van minister Schreinemacher vanuit het waterperspectief, een thema waarin Nederland zegt te excelleren – maar slachtoffer worden van het eigen succes ligt op de loer, waarschuwt Smits. Het is tijd voor ‘nieuwe waterambities’, stelt hij.

Lees artikel

Lessen van Liesje: oftewel, hoe een gebrekkig inzicht in wereldproblemen kan leiden tot een weinig samenhangende visie

Door Ruerd Ruben | 27 juni 2022

Vandaag is het aan Ruerd Ruben om de nota van minister Schreinemacher van commentaar te voorzien. Ruben merkt een gebrekkig inzicht in de wereldproblemen op en zet er cijfers tegenover. Werk aan de winkel.

Lees artikel