Door:
Marc Broere

24 juni 2022

Tags

Robert Kajobe is een prominente wetenschapper uit Oeganda. Marc Broere bezoekt de hoogleraar met wie hij al een kwart eeuw bevriend is, voor een terugblik en om de stand van het Afrikaanse academische leven te bespreken. Onder collega’s bemerkt Kajobe nog te vaak een minderwaardigheidscomplex – en dat mogen ze wel afschudden, vindt hij. ‘Een westers idee wordt soms domweg maar geaccepteerd, ook al weet je als lokale onderzoeker dat het niet werkt, maar je bent te bang om dat aan de orde te stellen.’

Ik noemde hem al ‘professor Kajobe’ toen hij nog in Utrecht studeerde en een twintiger was. Robert Kajobe moet hard lachen als we die oude herinnering ophalen – en nu is hij ook daadwerkelijk professor Robert Kajobe.  Om precies te zijn: onderzoekshoogleraar en decaan van de vakgroep landbouw aan de Muni-universiteit in Arua, de hoofdstad van het West-Nile-district in het uiterste noordwesten van Oeganda. We spreken elkaar in zijn werkkamer aan de openbare universiteit, die in 2013 is opgericht.

Robert Kajobe is 51 en sinds januari 2020 terug in het gebied waar hij is opgegroeid. Hij woont weer in zijn geboorteplaats Koboko, op een klein half uur rijden van Arua. Hier ligt ook onze connectie: Koboko is eveneens de geboortegrond van Idi Amin, de bekende en beruchte president die Oeganda van 1971 tot ’79 regeerde.

Ik ontmoette Kajobe voor het eerst in 1997, toen ik bezig was met mijn eigen onderzoek voor een boek over Idi Amin, dat twee jaar later werd gepubliceerd. Het was tijdens een bijeenkomst van studenten uit de West-Nile, die allemaal aan de Universiteit van Makerere in Kampala studeerden, dat we aan elkaar werden voorgesteld. Omdat hij voor een vervolgstudie naar Nederland zou komen, wisselden we onze gegevens uit.

Na zijn studie bosbouw aan Makerere vertrok Kajobe met een beurs van de Netherlands Fellowship Programmes (NFP) naar Utrecht om aan de Rijksuniversiteit aldaar de opleiding tropische bijenhouderij te volgen.

Jaarlijks kwamen er in die tijd zo’n 75 afgestudeerde Oegandezen naar Nederland voor een vervolgstudie met een dergelijke beurs, die met Nederlands ontwikkelingsgeld werd betaald. Kajobe slaagde met vlag en wimpel en kreeg de gelegenheid om eveneens in Utrecht promotieonderzoek te doen.

We werden goede vrienden en hij bracht de eeuwwisseling bij mij en een groep vrienden door. Ik interviewde hem voor Transfer, het blad van de Nuffic dat het beurzenprogramma beheerde. Daarin vertelde Kajobe over zijn passie voor bijenhouderij: over de bijen zelf, die volgens hem ‘kunstwerken’ maken, maar ook over het honingpotentieel van Oeganda.

Het land benutte maar drie procent ervan, terwijl bijenteelt volgens Kajobe heel simpel is. ‘Je hoeft er bijna niets in te steken en krijgt er veel voor terug’, zei hij. ‘Je hebt geen land en machines nodig, alleen maar een korf om de honing te verzamelen. Voor mensen op het platteland liggen er grote mogelijkheden om hun inkomsten te vergroten.’

Trots vertelde Kajobe dat organische honing uit de West-Nile zelfs tot lekkerste honing ter wereld was uitgeroepen, om er met zijn typerende bulderlach aan toe te voegen dat ‘bijenspecialist’ soms nog een tikkeltje vreemd stond, in zijn land. Het wordt er met hekserij geassocieerd. ‘Onlangs kwam iemand in het zuidwesten van Oeganda nog in het nieuws omdat hij een hele bijenkolonie op zijn buik had. Iedereen dacht aan hekserij, maar hij was gewoon wetenschappelijk bezig. Zoiets is helemaal niet moeilijk als je de koningin weet te vinden en die op je buik zet.’

Twintig jaar geleden reisde ik ook met hem naar Koboko, naar zijn ouderlijk huis. Onderweg vertelde Kajobe dat hij in de toekomst Afrika’s prominentste wetenschapper op het gebied van tropische bijenhouderij wilde zijn en wilde doceren aan ‘allemaal talentvolle studenten die overal in Afrika veldonderzoek doen’. Hij gaf toen al deeltijds les aan de Universiteit van Makerere en deed zijn promotieonderzoek in het Bwindi National Park, een van de weinige gebieden waar nog berggorilla’s voorkomen.

Ik ontmoette in Koboko ook zijn vader: Martin Adrama, die – hoewel hij de zeventig al ruim gepasseerd was – nog steeds voor de klas stond. Gepensioneerde leerkrachten werden in die tijd opgeroepen om weer les te gaan geven, nadat de Oegandese overheid in 1997 besloot het basisonderwijs voor iedereen vrij toegankelijk te maken, wat tot een grote onderbezetting leidde.

‘Als God het wil, dan wordt Robert professor of een bekende wetenschapper’ – en dat wilde God klaarblijkelijk

Vader Martin was trots op zijn zoon. ‘God heeft me intelligente kinderen gegeven’, zei hij. ‘Als God het wil, dan wordt Robert professor of een bekende wetenschapper.’ En dat wilde God klaarblijkelijk. Kajobe promoveerde in 2008 en begon aan een mooie loopbaan, vooral bij de National Agricultural Research Organisation (Naro), het belangrijkste onderzoeksinstituut in Oeganda op het vlak van landbouw. De laatste acht jaar was Kajobo zelfs een van de directeuren, de jongste in de Naro-geschiedenis.

Toen ik hem een paar jaar geleden op zijn kantoor bezocht, vertelde hij lachend dat telkens als president Museveni een bijeenkomst over landbouw bijwoonde en moeilijke vragen vanuit het publiek kreeg, hij steevast naar Kajobe verwees als die zich onder de toehoorders bevond. ‘“Op dit soort vragen kan alleen de directeur van Naro antwoord geven”, zei de president dan.’

Kajobe bleef naast zijn managementtaken zelf onderzoek doen, onder meer naar bijenhouderij. Onder zijn auspiciën kwamen er andere masterstudenten en promovendi op dit terrein en hij werd als expert bij zo’n beetje iedere internationale organisatie betrokken als het om tropische bijenhouderij ging. Ook werd en is hij tot op de dag van vandaag voorzitter van The Uganda National Apiculture Development Organisation (Tunado), de organisatie van bijenhouders in zijn land.

En zowel nationaal als internationaal groeide het besef over het belang van bijenteelt. ‘Er zijn meerdere producten die erdoor gemaakt kunnen worden,’ vertelt Kajobe nu, op zijn werkkamer in Arua, ‘zoals honing en wax. Daarnaast kan het gif gebruikt worden als bestanddeel in antivirale medicijnen. De bijenpropolis, tot slot, is een natuurlijk antibioticum en bovendien effectief voor ontgifting.’

Maar als landbouwdeskundige is volgens hem de bestuiving door bijen verreweg het belangrijkst. Kajobe zegt het glashelder: ‘Minder bijen leidt tot slechtere landbouwproductie.’ Tussen de zestig en tachtig procent van de bevruchting van gewassen is volgens hem afkomstig van bestuiving door bijen. ‘Dat wordt ook internationaal steeds meer erkend. Je ziet het aantal bijenhouders in Afrika doordoor omhooggaan en internationale organisaties ondersteunen ook steeds meer bedrijven en ngo’s op dit terrein.’ Met zijn eigen onderzoek speelde Kajobe een flinke rol in deze ontwikkeling.

Op de universiteit is hij nu het hoofd van de landbouwfaculteit en krijgt hij te maken met ambitieuze en enthousiaste studenten, maar hij moet het met beperkte middelen doen. Kajobe noemt hoger onderwijs de ‘ontbrekende schakel’ in zijn land.

‘De overheid investeert vooral in basis- en ook nog wat in middelbaar onderwijs. Het hoger onderwijs wordt vaak vergeten, terwijl het de sector is waar je kennis kunt genereren en waar de mensen vandaan komen die onze economie echt gaan runnen.’

Ook laat de overheid de academische wereld in Oeganda vooral aan buitenlandse donoren over. Dat is jammer, vindt hij: ‘Het meeste geld voor onderzoek komt niet van de eigen regering, maar van donoren en filantropen zoals Bill Gates. In dat laatste schuilt een gevaar, omdat je dan niet je eigen prioriteiten kunt bepalen. ‘Misschien is het hier wel de prioriteit om onderzoek naar cassave te doen, om de productie daarvan te vergroten, maar schrijft Bill Gates een tender van miljoenen dollars uit voor onderzoek naar uien. Dan dienen de instituten toch aanvragen in om onderzoek naar uien te doen, omdat ze het geld nodig hebben, terwijl de lokale prioriteiten bij cassave liggen.’

‘De overheid stelt nauwelijks geld beschikbaar om ons onderzoek te financieren, dus zijn we afhankelijk van organisaties als het *IMF, de Wereldbank of de stichting van Bill Gates, maar zo lopen we het risico werk te doen dat niet direct aan de lokale bevolking ten goede komt.’

Om vervolgens met de bekende, bulderende lach te zeggen: ‘Oeganda heeft een heel ministerie voor Wetenschap en Technologie. De wetten zijn er, de structuur is er, maar er moet natuurlijk ook een redelijk budget zijn – en dat is er niet, in tegenstelling tot Kenia en Nigeria, waar de regering wèl in wetenschap en onderzoek investeert.’

Voor mensen op het platteland liggen er grote mogelijkheden om hun inkomsten te vergroten door bijenteelt (foto Mark Williams Wasswa)

Afrikaanse onderzoekers lopen ook nog tegen een ander probleem aan, zegt Kajobe: ‘Het is voor ons moeilijk om tegen Europese universiteiten op te boksen, als het om het verkrijgen van onderzoeksgelden gaat. Zij hebben meer ervaring in het schrijven van subsidieaanvragen en er worden vaak hoge eisen gesteld aan faciliteiten zoals laboratoria en apparatuur. ‘De criteria zijn altijd in het voordeel van westerse universiteiten en onderzoeksinstellingen. Zo krijg je dus dat het overgrote deel van wetenschappelijk onderzoek *over Afrika wordt gedaan door westerse onderzoekers, terwijl we hier een heleboel goede eigen onderzoekers hebben.’

 

‘Velen denken nog steeds dat de kennis die uit het Westen komt per definitie beter is’

Ik merk alleen regelmatig een minderwaardigheidscomplex bij Afrikaanse onderzoekers op, al heb ik er zelf geen last van… Velen denken nog steeds dat de kennis die uit het Westen komt per definitie beter is.’

‘Ook denken ze dat je geen kritische vragen aan westerse collega’s mag stellen, omdat het dan lijkt alsof je hun ideeën afwijst en het bovendien gevolgen voor je financiering kan hebben. Daarom wordt een idee van elders soms domweg maar geaccepteerd, ook al weet je als lokale onderzoeker dat het niet werkt en op een flop zal uitlopen, maar je bent te bang om dat aan de orde te stellen.’

Als het aan hem ligt, zouden Afrikaanse onderzoeksinstellingen altijd de leidende partij moeten zijn als het onderzoek in Afrika plaatsvindt. ‘En dan is het aan de Afrikaanse instelling om daar de juiste westerse onderzoekers en instellingen bij te zoeken en wordt er op gelijkwaardige wijze samengewerkt.’

Inmiddels is hij ook begonnen met het realiseren van zijn grote droom. ‘Sinds ik terug ben in de West-Nile, zeggen mensen vaak tegen me: “Robert, jij bent nu een professor, maar hoe gaan wíj profiteren van jouw kennis en je werk?” Daarom ga ik een eigen trainingscentrum opzetten waar mensen leren hoe ze hun landbouwproductiviteit kunnen vergroten.’

Hij pakt een papier uit zijn tas, met daarop een tekening. ‘Ik heb 26 hectare land gekocht, op twintig kilometer buiten Arua. Al mijn kennis moet daar samenkomen. Het is voor training, demonstraties en agro-toerisme. De West-Nile is na Karamoja het armste district van Oeganda en bijna alle families zijn afhankelijk van landbouw.  ‘Wat echter ontbreekt is kennis om de productiviteit te vergroten en hoe je met klimaatverandering moet omgaan. Vroeger hadden we twee regenperiodes per jaar, nu – vanwege de klimaatverandering – nog maar één. Dat vraagt om een andere manier van landbouw bedrijven.’

‘Je hebt hier heel veel ngo’s en boerengroepen. Op mijn centrum kunnen ze de professionele informatie krijgen die nu nog vaak mist, en voor scholieren gaan we uitjes organiseren en is het een leuke manier om in aanraking met het boerenleven te komen.’

Kajobe gaat dit jaar met de bouw beginnen en het centrum moet over vier jaar klaar zijn. Op de universiteit mist hij de vrijheid een beetje en zijn er altijd veel afspraken en overleggen. Op zijn centrum kan hij alles zelf bepalen. ‘Ik kan wanneer ik maar wil op de bodaboda (een bromfietstaxi, red.) springen en naar de boerderij gaan.’

De eerste jaren zal hij het centrum nog combineren met zijn aanstelling als hoogleraar. Is er geen sprake van belangenverstrengeling? Kajobe moet nog maar eens hard lachen om de ‘westerse vraag’.  ‘Absoluut niet’, zegt hij. ‘Mensen vragen me heel vaak wat ik naast mijn academische werk doe, zoals bijna iedereen iets naast zijn officiële baan doet. De directeur van openbare ziekenhuis van Arua, bijvoorbeeld, is óók de eigenaar van het grootste privéziekenhuis van de stad.’

‘Als boeren naar de universiteit komen om een training over landbouwproductiviteit te volgen, vragen ze altijd waar mijn eigen boerderij ligt: “Professor, laat ons je farmland zien, dan kunnen we kijken of je zelf een goede boer bent. Pas dan geloven we dat wat je ons hier wilt leren ook echt waar is.”’

‘Het optimistische can do-toontje is ongepast’

Door Marlies Pilon | 29 juni 2022

In aanloop naar het grote debat over de nieuwe beleidsnota van minister Schreinemacher, op 30 juni, vraagt Vice Versa drie door de wol geverfde ontwikkelingsexperts alvast om een eerste reactie. Wat vinden Bram van Ojik, Paul van den Berg en Rina Molenaar ervan?

Lees artikel

Als ‘doen waar je goed in bent’ omslaat in zelfgenoegzaamheid

Door Stef Smits | 28 juni 2022

In dit opiniestuk becommentarieert Stef Smits van IRC de beleidsnota van minister Schreinemacher vanuit het waterperspectief, een thema waarin Nederland zegt te excelleren – maar slachtoffer worden van het eigen succes ligt op de loer, waarschuwt Smits. Het is tijd voor ‘nieuwe waterambities’, stelt hij.

Lees artikel

Lessen van Liesje: oftewel, hoe een gebrekkig inzicht in wereldproblemen kan leiden tot een weinig samenhangende visie

Door Ruerd Ruben | 27 juni 2022

Vandaag is het aan Ruerd Ruben om de nota van minister Schreinemacher van commentaar te voorzien. Ruben merkt een gebrekkig inzicht in de wereldproblemen op en zet er cijfers tegenover. Werk aan de winkel.

Lees artikel