Door:
Paul Hoebink

26 juni 2022

Categorieën

Tags

Vrijdag, laat in de middag, lanceerde minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Liesje Schreinemacher haar nieuwe nota. Het is moeilijk er enige duidelijkheid, er een heldere strategie in te vinden: het is vaagheid troef, stelt Paul Hoebink.

Doen waar Nederland goed in is lijkt een verhelderende titel voor nieuw Nederlands beleid op het terrein van handel en ontwikkelingssamenwerking: het stelt Nederland voorop, wat voor handel alleszins te begrijpen is, maar voor ontwikkelingssamenwerking minder, tenzij je ook dáárin het Nederlandse belang vooropstelt.

Een nota met een dergelijk titel roept direct de eerste vraag op: waar is Nederland dan goed in? Slechts op twee plaatsen in de tekst wordt daar iets over opgemerkt (op de pagina’s 16/18 en 24), zij het in zeer algemene bewoordingen. Digitalisering, water, duurzame energie, landbouw en gezondheid (16/18) worden eerst genoemd en daar komen verderop offshore wind, waterstof, duurzame mobiliteit, circulaire economie, fintech en agritech bij (24).

Dat zijn oppervlakkige constateringen, niet gebaseerd op een daadwerkelijk analyse van de Nederlandse economie. Niet op wat dan nationale excellentie is en wat internationale; wat daarvan sowieso al – zonder overheidsondersteuning – vermarkt wordt en wat een zetje in de rug nodig heeft.

Bij al deze sectoren kunnen bovendien vragen gesteld worden, zoals: Nederland zat tot voor kort achter in de Europese klas wat hernieuwbare energie betreft, loopt het nu ineens voorop? Ons landbouwmodel loopt tegen ecologische en andere grenzen aan, is het dan goed om dat te exporteren?

Weinig sturing en synergie

De volgende vraag is dan natuurlijk wat deze sectoren kunnen betekenen voor ontwikkelingslanden, binnen de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Bij alle genoemde sectoren kunnen dan vraagtekens geplaatst worden: of wat Nederland daar te bieden heeft, ook zo geschikt is voor ontwikkelingslanden.

Nederlandse landbouw- en veeteeltprojecten waren in het verleden zelden succesvol, tenzij ze de boel omdraaiden en vanuit het perspectief van lokale boeren en ondernemers dáár aan de slag gingen. Ook de export van medische apparatuur onder de hulp was zelden een succes – de uitzending van Nederlandse artsen meestal wel.

Opmerkelijk is dat de nota maar één keer refereert aan de grote IOB-beleidsdoorlichting over hulp en handel die kortgeleden is gepresenteerd (al wordt er in de bijlage wel op twee bladzijden antwoord gegeven op de aanbevelingen van de IOB, maar niet op de conclusies en verdere rapportage). De nota merkt op dat de IOB constateert dat er weinig sturing op en synergie tussen hulp en handel is geweest (44). Desalniettemin wordt er in de nota gesteld: ‘Buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking hebben een groot potentieel om elkaar te versterken.’

De IOB-evaluatie gaat echter een maat dieper. Die constateert dat ondanks de invoeging van het Bureau Economische Betrekkingen Buitenland in Buitenlandse Zaken tien jaar geleden hulp en ontwikkelingssamenwerking twee aparte zuilen zijn gebleven, met hun eigen doelstellingen, instrumenten en landenlijsten. Waar het optimisme dat deze integratie nu wel zou lukken op gebaseerd is, wordt niet duidelijk gemaakt.

Binding van hulp

Eigenlijk bevestigt de minister dat ook door een extra landenlijst te presenteren van landen waarop het handelsbeleid vooral gericht kan zijn. Daarop staan allereerst Europese landen (zestig procent van de Nederlandse handel vindt binnen de EU plaats), vervolgens de Verenigde Staten, Canada, landen in het Midden-Oosten en Azië, zoals China en India – niet de armste landen van Azië en al helemaal geen Afrikaanse.

Het idee dat handel en hulp elkaar kunnen versterken, zou mede naar voren zijn gekomen in een aantal rondtafelgesprekken met belanghebbenden. Dat is mooi, maar het is niet meer dan een vrijblijvend statement, dat we al tien jaar horen. De evaluatie van de IOB spreekt dat hard tegen en nergens geeft de minister aan hoe zij de barrières tussen de twee zuilen denkt te kunnen overbruggen.

Dat is ook logisch: handelsbeleid betekent in eerste instantie exportbevordering. Wil je dat met ontwikkelingshulp doen, dan stel je de voorwaarde dat hulpontvangende landen met de hulp die ze krijgen goederen en diensten moeten aanschaffen in Nederland (binding van hulp). Die voorwaarde is feitelijk in 1978 door het kabinet-Van Agt afgeschaft, omdat ze alleen maar negatief uitpakte.

‘De afgelopen jaren zijn er goede methodes ontwikkeld om resultaten te meten’, zo wordt in de nota gesteld (30). Weliswaar zijn die methoden ettelijke decennia ouder, maar des te opmerkelijker is het dat er helemaal niet naar die evaluaties wordt gerefereerd. Niet als het gaat om het Dutch Good Growth Fund (23), niet als het gaat om verschillende instrumenten die Nederland heeft om hulp en handel te bevorderen en al helemaal niet waar de nota aangeeft in welke sectoren Nederland een extra bijdrage zou kunnen leveren, zoals voedselzekerheid, water en mondiale gezondheidszorg.

Daar blijft het iedere keer bij nietszeggende opmerkingen over het belang van die en die sector, dat en dat onderwerp, zonder duidelijke strategie, gebaseerd op recente evaluaties. Nederland gaat voor grotere programma’s en laat basisonderwijs over aan andere donoren, want ‘het kabinet kiest er daarom expliciet voor om door te gaan met wat werkt, en bij te sturen waar nodig’. Zo verdwijnt basisonderwijs weer van de lijst, voor de tweede keer, terwijl toch uit de evaluaties bleek dat de Nederlandse financiering heel succesvol was.

Wel handeldrijven, niet investeren

Wat de IOB-evaluatie ook heeft geleerd is dat de 1,4 miljard euro aan bezuinigingen vooral ten koste is gegaan van de bilaterale landenprogramma’s. De Nederlandse bijdrage per land is – met een enkele uitzondering, zoals Ethiopië – fors gedaald. De bedrijfslevenprogramma’s zijn nagenoeg ongeschonden uit die bezuinigingen gekomen.

De IOB constateerde dat er maar liefst 53 potjes zijn waaruit het bedrijfsleven kan putten om handel te drijven en te investeren, maar juist dat investeren lukt niet. Dat is een rode draad door de geschiedenis van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking: van de Nederlandse Overzeese Financieringsmaatschappij in de jaren zestig tot de particuliere ontwikkelings- en participatiemaatschappijen (POPM’s) die Jan Pronk begin jaren negentig aan VNO-NCW cadeau deed, alle investeringspotjes zijn een mislukking gebleken.

Handeldrijven met steun van de overheid wil het bedrijfsleven wel, investeren niet. Dat deert de minister in deze nota niet: de evaluatie van de IOB wordt gewoon overgeslagen. Een rationalisering van die 53 potjes op basis van deze IOB-evaluatie blijft zodoende achterwege.

Die uitblijvende verwijzingen en grote vaagheid gelden ook voor het onderwerp digitalisering. Er wordt verschillende malen gehamerd op een digitaliseringsstrategie en op het idee dat Nederland daarbij een voorloper is. Dat ‘voorloper zijn’ wordt niet onderbouwd: gaat het om de computerspellenindustrie of om bedrijfstoepassingen? Maar hoe die digitaliseringsstrategie in ontwikkelingslanden vorm moet krijgen en hoe Nederlandse bedrijven daar een bijdrage aan kunnen leveren, blijft in het vage.

Dat geldt alle onderwerpen die in het hoofdstukje over ontwikkelingssamenwerking worden genoemd, van klimaat via water tot gezondheidszorg. Nergens de beloofde verwijzing naar ‘focus op wat werkt’, zoals de titel van dat hoofdstuk aangeeft. En al even onduidelijk is hoe die grote programma’s gefinancierd gaan worden: toch via projecten, of via budgetsupport?

Alle kans voor een revanche

Zelfs het hoofdstukje over de extra middelen die er nu voor ontwikkelingssamenwerking zijn, blinkt niet in helderheid uit. Wat de in het regeerakkoord toegezegde extra driehonderd miljoen euro per jaar (en in 2025 vijfhonderd miljoen) nu aan méér geld gaat opleveren voor de verschillende landen (of multilaterale organisaties) is volstrekt onduidelijk.

De tabel over intensiveringen en herverdeling levert wat dat betreft geen enkel inzicht op. Daar gaat het om 670 en 765 miljoen in de komende twee jaar, maar wat daarvan intensivering en wat herverdeling is blijft in het duister. Zo wordt ook niet echt zichtbaar wat al die mooie vage woorden van de twee hoofdstukken daarvoor in centen voor de verschillende onderwerpen opleveren.

Gelukkig krijgt de minister nog een kans om zich te verbeteren: maar liefst zes nieuwe nota’s worden aangekondigd, waaronder een Afrika-strategie, een klimaat- en internationale-gezondheidsstrategie en – zeer interessant – een grondstoffenstrategie. Alle kans dus voor een revanche, voor het afschaffen van de vaagheid en stappen naar helder, concreet beleid dat op evaluatie is gestut.

Paul Hoebink is gasthoogleraar bij de master Sustainable Development van de Hochschule Rhein-Waal in Kleve

Jeugdige tips voor de Afrika-strategie

Door Tess Vanacker | 12 augustus 2022

Een generatietoets, flexibele fondsen voor jongerenorganisaties en vooral geen kindertafels meer. Zomaar een paar ideeën die onlangs tijdens een jongerenpanel op de Afrikadag zijn geopperd – en vandaag, 12 augustus, is het de Internationale Jongerendag en tijd voor een terugblik van Tess Vanacker, beleidsmedewerker bij  Amref Flying Doctors. Dit jaar zet de VN het thema ‘intergenerationele solidariteit’ in de kijker.

Lees artikel

‘Die mannelijke dominantie is zó verankerd en nog steeds ontzettend overheersend’

Door Marc Broere | 01 augustus 2022

Het in Oeganda gevestigde Akina Mama wa Afrika is betrokken bij drie strategische partnerschappen met Nederlandse organisaties en de Nederlandse overheid. Een gesprek met directeur Eunice Musiime over haar ervaringen en over ontwikkelingen binnen het vakgebied. ‘Volg landen als Canada en Zweden en kom met een feministisch buitenlandbeleid – dat zou daadwerkelijk een moedig statement zijn.’ Die laatste wens is ondertussen in vervulling gegaan.

Lees artikel

De jeugd van tegenwoordig

Door Hans Beerends | 26 juli 2022

Om welke maatschappelijke problemen maakt ‘de jeugd van tegenwoordig’ zich druk? Actieveteraan Hans Beerends ging naar een bijeenkomst in Spui 25 en zag dat jongeren een visie zoeken die veraf staat van de in hun ogen idealistische naïviteit, maar ook veraf van de in hun ogen huidige gelatenheid en pessimisme

Lees artikel