Door:
Ruerd Ruben

27 juni 2022

Tags

Vandaag is het aan Ruerd Ruben om de nota van minister Schreinemacher van commentaar te voorzien. Ruben merkt een gebrekkig inzicht in de wereldproblemen op en zet er cijfers tegenover. Werk aan de winkel.

De beleidsnotitie Doen waar Nederland goed in is, van minister Liesje Schreinemacher (Buitenlandse Handel en Ontwikkelings­samenwerking), is een goed leesbare tekst, die mooi is geïllustreerd en biedt zicht op het profiel van de Nederlandse internationale samenwerking. De nota loopt over van de goede voornemens – met termen als realistisch optimisme, betekenisvol verschil maken, open strategische autonomie en slimme samenwerking – en zegt aan te sturen op een viertal praktische ambities: grotere programma’s, minder landen, minder thema’s en langere termijn.

En haar nota – in navolging van het regeerakkoord – kondigt het herstel van het budget aan (driehonderd miljoen euro extra in de periode 2022-’24 en daarna vijfhonderd miljoen structureel) en op termijn een terugkeer naar de internationale ODA-norm (0,7 procent van het bnp), maar aan de vervuiling wordt helaas niets gedaan.

Wat allereerst opvalt is het aanbodgerichte denken. Dat zit natuurlijk al in de egocentrische titel (als de behoeften in het Zuiden centraal staan, zou Wie goed doet, goed ontmoet een passender motto zijn) en blijkt ook uit de gebrekkige analyse van de grote opgaven die er wereldwijd liggen op gebieden als de demografische transitie (verstedelijking en migratie), de voedseltransitie (toenemende honger en ondervoeding), klimaat en energietransitie (ontbossing, klimaatverandering) en de groeiende ongelijkheid (met meer irreguliere migratie en gebrek aan democratische legitimiteit als gevolg).

‘Meer samenhang en focus’

Daarbij komen nog nieuwe uitdagingen door de verstoring van de handelsstromen na de covidpandemie en de hernieuwede aandacht voor lokale sourcing (korte ketens) als reactie op de Oekraïense oorlog. De nota sluit vooral aan bij discussies in Nederland – bijna alle voetnoten refereren aan Kamerstukken –, gaat maar zeer beperkt in op de noodzaak om onze internationale inzet voor het bereiken van de duurzame doelen te intensiveren en laat daarmee de mogelijkheden om met Nederlands beleid in te spelen op nieuwe mondiale kansen en behoeften buiten beschouwing.

Bijna alle beleidsthema’s passeren de revue – van noodhulp tot mensenrechten en  wapenexportbeleid – en het blijft daardoor moeilijk om het centrale doel van ‘meer samenhang en focus’ (pagina 3) te herkennen. De leidende gedachte is dat handel en investeringen zowel bijdragen aan welvaart in ontwikkelingslanden alsook het internationale verdienvermogen van Nederland kunnen versterken.

Dat gaat uit van het benutten van comparatieve voordelen: op zich niet onjuist, maar niet direct de meest centrale uitdaging. Er wordt vooral gesproken over buitenlandse handel, terwijl meer dan negentig procent van de handel in Afrika binnen of tussen landen in de regio plaatsvindt. Het gewicht van Afrika in de inter­nationale goederenhandel is minder dan vier procent en blijft in de Nederlandse uitvoer op 2,4 procent steken.

Afrika heeft dus investeringen in lokale industrie en infrastructuur nodig, die de verbindingen met de lokale markt versterken, èn ondersteuning om de eigen comparatieve voordelen verder te ontwikkelen (bijvoorbeeld door meer lokale verwerking van tropische gewassen zoals koffie, thee, textiel en cacao).

De inzet op digitalisering en duurzaamheid die de minister voorstaat, kan daarbij zeker helpen, maar alle aandacht moet worden gegeven aan het vergroten van de werkgelegenheid – vooral voor jongeren – en van het verhogen van de arbeidsproductiviteit en de lonen. Het zou goed zijn om de Nederlandse investeringen en handel daarop af te rekenen.

De Nederlandse export richt zich voor meer dan tachtig procent op de rijke Oeso-landen (zelfs voor 86 procent op G20-landen) en pas daarna komen landen uit Latijns-Amerika (Mexico, Brazilië, Colombia en Costa Rica) en Azië (China, India, Indonesië). De Nederlandse importen uit Afrika bestaan voor zeventig procent uit onbewerkte grondstoffen (bloemen uit Kenia, cacao uit Ivoorkust en Ghana) waarmee nauwelijks lokale toegevoegde waarde wordt gecreëerd.

De Nederlandse goederenexport naar Afrika bestaat voor 65 procent uit consumptiegoederen die eigenlijk heel goed lokaal kunnen worden gemaakt. Dat veranderen zou een prima inzet voor Nederland zijn! Het zou bovendien een bijdrage leveren aan de vermindering van schuldenlast.

Tussentijdse aanpassingen

De notitie heeft twee aparte hoofdstukken over handel en ontwikkelingssamenwerking die weinig raakvlakken hebben. Dat is jammer, want veel van het handelsbeleid (standaarden voor eerlijke handel, vergroening van importen, investerings- en belastingverdragen) zou juist zeer gediend zijn met instrumenten om ontwikkelingslanden te helpen hieraan te voldoen.

Ook zou een toets van de gevolgen van het Nederlandse en Europese landbouw-, handels- en klimaatbeleid voor ontwikkelings­landen op z’n plaats zijn. Deze minister is uiteindelijk verantwoordelijk voor de coherentie van beleid.

Het gedeelte over ontwikkelingssamenwerking noemt bijna alle huidige prioriteiten en geeft aan oog te hebben voor de noodzaak tot langetermijnprogrammering en ruimte voor tussentijdse aanpassingen. Hulde daarvoor: het is allang bekend dat de grootse effecten en duurzame impact alleen bereikt kunnen worden met meerjarige programma’s die bouwen op langdurig relaties met lokale partners.

Dat zou ook pleiten voor een grotere inzet van middelen voor ngo’s en vooral het verder decentraliseren van de ontwikkelingssamenwerking naar de ambassades. Helaas blijft dat laatste achterwege: Nederland is een van weinige donoren waar tot negentig procent van de budgetten in Den Haag wordt gealloceerd en nauwelijks een tiende via de ambassades wordt gekanaliseerd.

Verder geeft Nederland veel geld aan multilaterale instellingen (de EU, de Wereldbank, VN-organisaties), waardoor het aandeel van de hulp dat gericht in bepaalde landen wordt ingezet niet boven de zeventien procent uitkomt (bij Duitsland en Frankrijk is dat respectievelijk twee en drie keer zo groot). De inzet zou moeten zijn om minimaal dertig procent te laten lopen langs ambassades of uit te zetten via lokale fondsen voor (co)financiering van initiatieven uit de partnerlanden.

Kunstmatig overkomende lijstjes

De inzichten die de notitie biedt over de sturing op synergie tussen handel en hulp zijn nog vrij beperkt. Er wordt iets gezegd over het streven om zeventig procent van de opdrachten uit investeringsprogramma’s te laten uitvoeren door Nederlandse bedrijven, maar dat maakt weinig kans zolang het criterium van kosten­efficiëntie wordt gehanteerd.

Het is jammer dat er niet meer gebeurt met het opbouwen van een goede Nederlandse reputatie (wat betreft ontwikkelingssamenwerking) als vertrouwensbasis voor het aangaan van handelsrelaties en het verrichten van gemeenschappelijke investeringen tussen Nederlandse bedrijven en partners in ontwikkelingslanden. Er wordt wel gerefereerd aan publieke middelen als ‘hefboom’ om privaat kapitaal te mobiliseren (pagina 38), maar er is veel meer aandacht nodig voor de vele verschillende manieren om schenkingen en leningen effectief te combineren (blending).

De ambitie om te ‘sturen op impact’ wordt uiteindelijk vertaald in de keuze voor 25 prioritaire landen voor handel, veertien landen voor ontwikkelingssamenwerking en veertien combinatielanden. Dat komt allemaal wat kunstmatig over en we weten uit de praktijk dat zulke lijstjes weinig sturend werken.

Je zou wel wat extra aandacht voor de nieuwe Oeso-landen Chili en Costa Rica verwachten – en voor de aanpassing van de sojahandel uit Brazilië, veroorzaakt door het Nederlandse fosfaatbeleid. Ook over regulering van de dienstenhandel (waar ICT onder valt) staat weinig in de notitie.

De verwachte aanpassingen in afzetmarkten vragen om nieuw beleid: in 2050 woont ruim een kwart van de wereldbevolking in Afrika (de helft jonger dan 25 jaar) en groeit het aandeel van Afrika in de wereldeconomie van drie tot tien procent. Daar liggen de grootste uitdagingen om het Nederlandse mkb erbij te betrekken, en voor het opbouwen van zo’n comparatief voordeel moet bovenal geïnvesteerd worden in goede kennis (beroepsonderwijs), passende financieringsmogelijkheden en lokale netwerken.

Al met al biedt de notitie van minister Schreinemacher nog weinig zicht op wat er beter of anders zou kunnen in het Nederlandse handels- en hulpbeleid. De keuze voor een gedifferentieerd beleid voor lage- en middeninkomenslanden wordt toegejuicht, maar er moet ruimte komen om de thema’s, sectoren en instrumenten vanuit een toekomstgericht perspectief te identificeren en samen met lokale partners vorm te geven. Bedrijven en ngo’s zullen daarbij een verbindende rol spelen. Dat moet lukken met het groeiende vertrouwen in elkaars kunnen.

 

Ruerd Ruben is emeritus hoogleraar impactanalyse aan Wageningen University & Research en voormalig directeur van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB)

Jeugdige tips voor de Afrika-strategie

Door Tess Vanacker | 12 augustus 2022

Een generatietoets, flexibele fondsen voor jongerenorganisaties en vooral geen kindertafels meer. Zomaar een paar ideeën die onlangs tijdens een jongerenpanel op de Afrikadag zijn geopperd – en vandaag, 12 augustus, is het de Internationale Jongerendag en tijd voor een terugblik van Tess Vanacker, beleidsmedewerker bij  Amref Flying Doctors. Dit jaar zet de VN het thema ‘intergenerationele solidariteit’ in de kijker.

Lees artikel

‘Die mannelijke dominantie is zó verankerd en nog steeds ontzettend overheersend’

Door Marc Broere | 01 augustus 2022

Het in Oeganda gevestigde Akina Mama wa Afrika is betrokken bij drie strategische partnerschappen met Nederlandse organisaties en de Nederlandse overheid. Een gesprek met directeur Eunice Musiime over haar ervaringen en over ontwikkelingen binnen het vakgebied. ‘Volg landen als Canada en Zweden en kom met een feministisch buitenlandbeleid – dat zou daadwerkelijk een moedig statement zijn.’ Die laatste wens is ondertussen in vervulling gegaan.

Lees artikel

De jeugd van tegenwoordig

Door Hans Beerends | 26 juli 2022

Om welke maatschappelijke problemen maakt ‘de jeugd van tegenwoordig’ zich druk? Actieveteraan Hans Beerends ging naar een bijeenkomst in Spui 25 en zag dat jongeren een visie zoeken die veraf staat van de in hun ogen idealistische naïviteit, maar ook veraf van de in hun ogen huidige gelatenheid en pessimisme

Lees artikel