Door:
Stef Smits

28 juni 2022

Tags

In dit opiniestuk becommentarieert Stef Smits van IRC de beleidsnota van minister Schreinemacher vanuit het waterperspectief, een thema waarin Nederland zegt te excelleren – maar slachtoffer worden van het eigen succes ligt op de loer, waarschuwt Smits. Het is tijd voor ‘nieuwe waterambities’, stelt hij.

‘Doen waar Nederland goed in is’ – en water is zo’n thema waar Nederland claimt goed in te zijn. Zó goed dat de Nederlandse waterexpertise al decennialang internationaal wordt gepromoot, met de bijbehorende brancheorganisaties, handelsbeurzen en marketing. Het is niet verwonderlijk dat de laatste jaren kritisch wordt gekeken naar hoe dat imago is opgebouwd en wordt gehandhaafd, zoals Chris Büscher in dit artikel doet, en of het wel wenselijk is om de Nederlandse waterexpertise als zodanig te exporteren en te verhandelen, zoals Jeltsje Kemerink-Seyoum betoogt.

De IOB-evaluaties over drinkwater en sanitaire voorzieningen (uit 2012) en over waterbeheer (2017) maken duidelijk dat er weliswaar op het gebied van water in de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking veel goed wordt gedaan, maar dat er nog veel – met name kwalitatieve – verbeterpunten zijn.

Tegen die achtergrond straalt de waterparagraaf van de beleidsnotitie Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking vooral zelfgenoegzaamheid uit. In plaats van een paragraaf had Liesje Schreinemacher kunnen volstaan met één zin: ‘Deze minister zet het bestaande beleid van haar twee voorgangers ongewijzigd voort.’

Tot op zekere hoogte is die continuïteit lovenswaardig. Minister Ploumen zegde destijds toe dat met de Nederlandse inzet over de periode 2016-’30 er vijftig miljoen mensen toegang tot sanitaire voorzieningen zouden krijgen en dertig miljoen tot schoon drinkwater – later werd nog toegevoegd dat er voor twintig miljoen mensen verbeterd waterbeheer zou komen. Het is positief dat Schreinemacher, net als Kaag, die toezeggingen herbevestigt.

Bovendien doet Nederland het – in elk geval in kwantitatieve zin – goed op die toezeggingen. De laatste OS-resultatenrapportage laat zien dat Nederland ruim voorligt op de doelstellingen. Met dank en complimenten aan haar voorgangers had het de minister gesierd in deze beleidsnotitie tenminste aan te geven wat haar precieze (desnoods alleen een kwantitatieve) bijdrage aan die langetermijndoelstelling zou zijn.

Ambitie en versnelde actie

Doen waar je goed in bent betekent niet alleen voortzetten en herhalen wat je deed, maar juist het regelmatig aanpassen en finetunen van je strategieën. Dat ontbreekt in de waterparagraaf. In antwoord op de genoemde IOB-evaluaties heeft het ministerie daadwerkelijk wijzigingen doorgevoerd in zijn waterprogramma’s, zoals op het gebied van duurzaamheid, qua financiering en het bereiken van de allerarmsten.

In de beleidsnotitie wordt met geen woord gerept over de mate waarin die wijzigingen effect hebben gehad of welke aanvullende aanpassingen nodig mochten zijn. Inmiddels is de duurzame-doelenperiode al een paar jaar aan de gang en is het juist nú het moment om aanpassingen te doen.

Het enige specifieke beleidspunt in de paragraaf is het feit dat Nederland samen met Tadzjikistan in maart volgend jaar de gastheer van de VN-waterconferentie is, wat volgens de nota ‘een goede kans biedt voor versnelde actie op [het zesde duurzame ontwikkelingsdoel]’. Dat is inderdaad een uitgelezen moment voor Nederland, als medegastheer, om politiek leiderschap te tonen en ambitieuze toezeggingen te doen voor versnelde actie. Maar dat vereist wel meer dan de zelfgenoegzame voortzetting van bestaand beleid die deze paragraaf uitstraalt.

Sterker: als we niet oppassen, kan het Nederlandse waterbeleid slachtoffer worden van zijn eigen succes. Bij de weinig overzichtelijke tabel met de herverdeling en intensivering van financiële middelen wordt water niet genoemd. De meeste andere thema’s (voedselzekerheid, klimaat, mondiale gezondheid) krijgen de komende jaren méér geld.

Het feit dat water niet genoemd wordt, betekent – naar ik aanneem – dat het budget gelijk blijft. Ergens kan ik me dat ook voorstellen: de doelen worden ruimschoots behaald met het huidige budget, dus waarom zou er extra geld naartoe moeten? Maar het betekent ook dat ‘water’ relatief kleiner wordt ten opzichte van andere beleidsonderdelen. Bovendien zal het de mogelijkheden voor versnelde actie op dat zesde doel beperken.

Onze watervoetafdruk

Is het dan allemaal meer van hetzelfde? Staat er dan echt niets nieuws in? Het is even zoeken, maar in het derde hoofdstuk staat dat het Actieplan Beleidscoherentie voor Ontwikkeling zal worden herzien, onder andere om de mondiale klimaat-, land- en watervoetafdruk van Nederland te verminderen. Het is – bij mijn weten – de eerste keer dat naar de Nederlandse watervoetafdruk wordt verwezen.

In de huidige rapportages over beleidscoherentie voor ontwikkeling wordt niet expliciet verwezen naar de watervoetafdruk. Het is positief dat de minister meldt dat mee te willen nemen in de herziening, juist omdat we weten dat de watervoetafdruk van onze internationale handelsketens in de land- en tuinbouw, maar ook in de textielindustrie groot is (de watervoetafdruk is nu juist iets waar we misschien niet zo goed in zijn, en waar ons bescheidenheid past).

Deze kritiek is niet alleen aan de minister gericht; het noopt me ook de hand in eigen boezem te steken. We zijn er blijkbaar onvoldoende in geslaagd om haar te overtuigen van de noodzaak van nieuwe waterambities, die niet zozeer kwantitatief, maar kwalitatief zijn. Misschien ben ik zelf ook te genoegzaam geweest met de jaarrapportages die elk jaar mooie cijfers laten zien.

Ik wil dan ook eindigen met een oproep aan zowel de minister en collega’s in de watersector als aan onszelf, als organisatie, voor hernieuwd leiderschap – dat de urgentie van de waterproblematiek politiek op de kaart zet, dat ambitieuze doelstellingen nastreeft en gebaseerd is op zelfreflectie over of we het eigenlijk wel zo goed doen, en waar het beter kan en móet.

Stef Smits is programmamedewerker bij IRC, met meer dan twintig jaar ervaring in de watersector in verschillende landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Momenteel is hij verantwoordelijk voor het landenprogramma in Honduras en voor het advies- en beleidsbeïnvloedingswerk van IRC

Jeugdige tips voor de Afrika-strategie

Door Tess Vanacker | 12 augustus 2022

Een generatietoets, flexibele fondsen voor jongerenorganisaties en vooral geen kindertafels meer. Zomaar een paar ideeën die onlangs tijdens een jongerenpanel op de Afrikadag zijn geopperd – en vandaag, 12 augustus, is het de Internationale Jongerendag en tijd voor een terugblik van Tess Vanacker, beleidsmedewerker bij  Amref Flying Doctors. Dit jaar zet de VN het thema ‘intergenerationele solidariteit’ in de kijker.

Lees artikel

‘Die mannelijke dominantie is zó verankerd en nog steeds ontzettend overheersend’

Door Marc Broere | 01 augustus 2022

Het in Oeganda gevestigde Akina Mama wa Afrika is betrokken bij drie strategische partnerschappen met Nederlandse organisaties en de Nederlandse overheid. Een gesprek met directeur Eunice Musiime over haar ervaringen en over ontwikkelingen binnen het vakgebied. ‘Volg landen als Canada en Zweden en kom met een feministisch buitenlandbeleid – dat zou daadwerkelijk een moedig statement zijn.’ Die laatste wens is ondertussen in vervulling gegaan.

Lees artikel

De jeugd van tegenwoordig

Door Hans Beerends | 26 juli 2022

Om welke maatschappelijke problemen maakt ‘de jeugd van tegenwoordig’ zich druk? Actieveteraan Hans Beerends ging naar een bijeenkomst in Spui 25 en zag dat jongeren een visie zoeken die veraf staat van de in hun ogen idealistische naïviteit, maar ook veraf van de in hun ogen huidige gelatenheid en pessimisme

Lees artikel