Door:
Marlies Pilon

29 juni 2022

Tags

In aanloop naar het grote debat over de nieuwe beleidsnota van minister Schreinemacher, op 30 juni, vraagt Vice Versa drie door de wol geverfde ontwikkelingsexperts alvast om een eerste reactie. Wat vinden Bram van Ojik, Paul van den Berg en Rina Molenaar ervan?

Om bij het begin te beginnen: Doen waar Nederland goed in is, hoe kijken jullie naar die naam?

‘Het is een curieuze titel,’ zegt Bram van Ojik, GroenLinks-politicus en oud-topambtenaar bij Buitenlandse Zaken, ‘die op een wrange manier precies de lading dekt. Want de leidende gedachte van het document is niet doen waar andere landen behoefte aan hebben, maar doen waar Nederland goed in is. Dat eigenbelang strookt niet met solidariteit, wat toch de basis van ontwikkelingssamenwerking is.’

Paul van den Berg

Ook Paul van den Berg, lobbyist bij Cordaid, is niet direct over de titel te spreken en noemt hem ‘onprettig en nogal borstklopperig’. Op zich begrijpt hij wel dat je vanuit een handelsbelang je eigen kennis en kunde wilt tonen, maar omdat de nota ook over ontwikkelingssamenwerking gaat – waar juist de vraaggestuurde kant en het aansluiten bij lokale bewegingen goed werkt – slaat de naam de plank volledig mis, zegt hij.

‘Misschien komt die titel wel zelfvoldaan over,’ zegt Rina Molenaar, directeur van Woord en Daad, ‘maar je kunt hem ook constructiever lezen: wij, in Nederland, blijven doen waar de partners ons om waarderen.’

Wat is jullie eerste indruk, verder?

Molenaar las de nota op een tropische Burkinese zaterdagavond door. Ze is niet ontevreden, zegt ze: ‘Ik zie continuïteit en consistentie van beleid. Als organisatie zetten we op systeemverandering in, dan is thematische continuïteit van groot belang.’ Ze zegt dat ze het idee krijgt dat de koers van het schip niet erg veranderd is, maar dat het tempo en de middelen wel zijn opgeschroefd.

Rina Molenaar

Storend vindt ze het dat de doelen onduidelijk zijn geformuleerd. ‘Ik lees over voedselzekerheid en het perspectief van jongeren, prima. Maar wat we precies gaan doen en hoe we dat concreet aanpakken, dat staat er niet bij. Het is op veel punten een nog weinig concreet document, het blijft gissen.’

Waar zij voorzichtig optimistisch is, hoorde Van Ojik echo’s uit een ver verleden, toen hij de nota doornam. Hij vloog terug naar 1982: destijds presenteerde minister Eegje Schoo (ook van de VVD) haar beleidsnota – en ook zij schreef over het betrekken van het Nederlandse bedrijfsleven bij de ontwikkelingssamenwerking.

Het jammere is, zegt Van Ojik, dat er intussen allang is vastgesteld dat handel niet zomaar ontwikkeling brengt. In die zin noemt hij het een marktverstorende nota van de VVD, met een heel ouderwetse agenda. Hij twijfelt wie er precies gebaat is bij de oplossingen die minister Schreinemacher aandraagt.

‘Het is toch vooral het Nederlandse bedrijfsleven de ruimte geven om in zuidelijke landen de eigen kennis te etaleren en geld te verdienen’, zegt hij, ‘en zo ontwikkeling te brengen. In plaats van onszelf op de voorgrond te plaatsen, had ik liever gezien dat er ruimte voor het Afrikaanse bedrijfsleven en het mkb dáár was gekomen.’

Paul van den Berg verrast het niet, met een VVD-minister aan het roer. Voor hem is ze een soort dianegatief van haar voorganger, minister Kaag. ‘Die zette ontwikkelingssamenwerking voorop, Schreinemacher kiest voor handel.’

Hij stoort zich aan de montere toon van het document. ‘Met een ontspoord klimaat, oplopende conflicten en humanitaire rampen staan we als wereld voor enorme uitdagingen. In die context vind ik het optimistische can do-toontje ongepast. Liever had ik een grondige probleemanalyse gezien en willen lezen hoe Nederland concreet zal gaan bijdragen.

‘De duurzame doelen staan in deze nota wel centraal, maar met de continuering van het huidige beleid gaan we die überhaupt niet halen. De manier waarop Nederland handeldrijft, draagt vaak juist aan ongelijkheid bíj. De realiteit is dus stukken alarmerender en ingewikkelder dan de nota doet vermoeden.’

In dit optimistisch-realisme ziet Van den Berg een nieuwe variant van het sociaaldemocratische maakbaarheidsideaal opduiken. ‘In die zin lijken Liesje Schreinemacher en Jan Pronk meer op elkaar dan ze ooit zullen toegeven’, zegt hij lachend.

Wat – uit de nota – stemt jullie tevreden?

Van Ojik: ‘Ik vind dat de inzet en ambitie om hulp en handel op een zinvolle manier met elkaar te verbinden en daarin naar synergie te zoeken steun verdient, het is ten slotte haar portefeuille.’ Hij prijst de keuze voor continuïteit en voor de lange adem, iets waar ontwikkelingssamenwerking bij gebaat is.

Van den Berg is blij dat in het hoofdstuk over ontwikkelingssamenwerking expliciet vermeld staat dat lokaal en zuidelijk leiderschap belangrijk zijn en gestimuleerd moeten worden.

Molenaar merkt op haar beurt op dat er meer oog komt voor monitoring en evaluaties bij langetermijnprojecten. ‘De minister schrijft dat ze nog meer gaat inzetten op de kennis-, evaluatie- en leeragenda. Een uitstekend idee: blijven monitoren en leren. Er staat dat ze ook naar de ongeplande effecten van ontwikkelingssamenwerking gaat kijken – en zelfs jaren ná het einde van een project evaluaties zal uitvoeren om de duurzaamheid ervan te onderzoeken. Dat lijkt me heel waardevol.’

En waarover zijn jullie minder tevreden?

Naast waardering heeft Rina Molenaar ook kritiek, met name op het gebrek aan een duidelijke koers. ‘Als je met nieuwe vormen van financiering wilt komen, moet je als overheid goed doordenken hoe je dat precies zal inrichten. Ik had meer concrete sturing op dat vlak verwacht.’

Bram van Ojik

Van Ojik beaamt het. ‘Het is inderdaad jammer dat alles erg vaag blijft’, zegt hij. ‘Dat komt ook doordat er nog geen Afrika-strategie is, nog geen wetgeving voor imvo, nog geen coherentieagenda rond de ecologische voetafdruk en belastingontwijking… al die zaken moeten nog komen.

‘Net als het uitwerken van de handelsagenda met landen als China en de Golfstaten. Ik vraag me af hoe de minister dat wil combineren met maatschappelijk verantwoord ondernemen en het respecteren van mensenrechten, dat moet allemaal nog blijken.’

Van den Berg: ‘We hadden een doorbaak met interim-minister Tom de Bruijn, die niet op Brussel wachtte, maar direct een nationale wet wilde maken over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dat we dat nu onder deze minister weer naar achteren zien schuiven, is teleurstellend.’

Alle drie zien ze hoe lastig de balans tussen hulp en handel in de portefeuille te vinden is. Hoe duiden we deze nota, en wat is het beste evenwicht tussen eigenbelang en solidariteit? Op donderdagavond 30 juni gaan we verder in gesprek over de nieuwe beleidsvoornemens in het Mediamuseum Beeld en Geluid in Den Haag. Gespreksleider Ama van Dantzig spreekt erover met onder anderen Jan Klink (Tweede Kamerlid voor de VVD), Sara Kinsbergen (Radboud Universiteit Nijmegen), Manon Wolfkamp (MVO Platform), Marhijn Visser (VNO-NCW), Myrtille Danse (Netherlands Food Partnership) en Erik Ackerman (VSO Nederland).

Wil je erbij zijn? Lees hier alle info en meld je aan.

Het nieuwe Actieplan beleidscoherentie voor ontwikkeling

Door Marc Broere | 01 december 2022

Nederland heeft een nieuw actieplan om meer beleidscoherentie tussen de verschillende ministeries te krijgen om negatieve effecten van Nederlands beleid voor ontwikkelingslanden tegen te gaan. Het concentreert zich op drie thema’s: het verkleinen van de Nederlandse voetafdruk, onwettige geldstromen en belastingontwijking èn vaccin- en gezondheidsongelijkheid.

Lees artikel

Dweilen met de kraan dicht

Door Elian Yahye | 29 november 2022

Nederland helpt landen in het Zuiden met het opzetten van een sterke publieke sector, maar is tegelijk een belastingparadijs. En: hoe vallen klimaatplannen te rijmen met steun aan fossiele bedrijven? Marit Maij (ActionAid) en Lisanne van der Steeg (Woord en Daad) pleiten voor meer beleidscoherentie: de Nederlandse overheid moet beleidskeuzes maken die elkaar versterken, in plaats van tegenwerken.

Lees artikel

Vergrijzing mag in de Afrika-strategie niet ontbreken

Door Jochem Duinhof | 28 november 2022

Wie de cijfers erop naslaat, kan maar tot één conclusie komen: Afrika vergrijst de komende jaren in rap tempo – en het is evident dat dat gevolgen heeft voor de manier waarop duurzame economische ontwikkeling en armoedebestrijding er tot stand komen, schrijft Jochem Duinhof, politiek adviseur bij Dorcas

Lees artikel