Door:
Lennaert Rooijakkers

17 januari 2023

Tags

Nederland staat voor de enorme uitdaging in 2050 volledig circulair te zijn. De vraag is hoe je een transitie naar zo’n economie eerlijk vorm kunt geven, zowel sociaal als qua klimaat. Vice Versa zoekt met Anne van der Meer en Paul Roeland naar een oplossing voor de – nu nog vervuilende – kledingindustrie.

Een volledig circulaire economie in 2050, is dat mogelijk? Wanneer de ambitieuze doelstelling van Nederland ter sprake komt, valt er voor het eerst een korte stilte. Daarvóór is het in hoog tempo over de uitwassen van de kledingindustrie gegaan, over ultra-fast fashion, over de zin en onzin van hergebruik, lage lonen, slechte arbeidsomstandigheden, de rol van bedrijven, overheden en consumenten, kledingdumping en de gevolgen voor ontwikkelingslanden.

Uiteindelijk begint Anne van der Meer, van de Foundation Max van der Stoel, voorzichtig een antwoord te formuleren. ‘Het wordt moeilijk,’ zegt ze, ‘maar het is te doen – al moeten we wel keuzes durven maken, voor systeemverandering durven gaan. Bedrijven en consumenten meekrijgen, wetgeving instellen… Het is misschien ambitieus, maar we moeten… ja, wat moeten we anders? Op déze voet verdergaan? We hebben geen keus.’

Werkweken van tachtig uur

Ruim een uur eerder is Van der Meer met Paul Roeland, van de Clean Clothes Campaign, voor een gesprek over een circulaire economie aangeschoven: hoe die eruitziet en, specifieker, wat er moet gebeuren om de zo vervuilende kledingindustrie circulair te maken.

‘Als je het over de kledingindustrie hebt, dan heb je het over een totaal niet-circulair systeem’, steekt Roeland van wal. ‘De vraag is hoe we dat kunnen veranderen, zonder dat er daardoor ineens een groep mensen in ontwikkelingslanden werkloos thuis komt te zitten. Maar dat werkweken niet langer tachtig, maar veertig uur duren – en iedereen toch hetzelfde loon krijgt.’

Demonstratie voor een leefbaar loon in Cambodja (credit: Schone Kleren Campagne)

Daarover later meer; eerst maar eens het precieze probleem schetsen, want de cijfers liegen er niet om. Vandaag de dag wordt er ongeveer zes keer meer kleding gemaakt en gekocht dan twintig jaar geleden, berekende de Clean Clothes Campaign. De kwaliteit is in veel gevallen achteruit gehold en de consument wisselt snel de ene garderobe voor de andere in.

‘Het gemiddelde kledingstuk wordt een keer of vier gedragen, that’s it’, schetst Roeland. ‘Zara en H&M hadden rond de eeuwwisseling vier collecties per jaar – nu 26. Super-fast fashion als van Shein (een Chinese keten die dagelijks nieuwe kleding tegen bodemprijzen op de markt brengt, red.) was er nog niet. Alles is veel sneller geworden en kleding relatief goedkoper, dus worden kleren meer en meer als wegwerpartikel gezien.’

Het gevolg: werknemers in kledingfabrieken maken langere dagen, tegen erbarmelijke lonen, en aan het eind van de rit komt een groot deel van de kleding op afvalbergen in arme landen terecht.

Van der Meer: ‘Een deel van onze textiel gaat al jaren naar enorme tweedehandskledingmarkten in Ghana. Vroeger was die kleding nog goed genoeg voor een derde of vierde leven en verdienden de mensen dáár er nog wat aan, nu is het vaak van zulke slechte kwaliteit dat direct de fik erin gaat. Als consument denk je: ik doe mijn kleding in een recyclebak, dus ik ben goed bezig. Ik ook, maar je weet niet eens waar het terechtkomt en wat er dan mee gebeurt, tot je je er een keer in verdiept.’

De route van onze kleren

Zelfs voor volgers van de kledingindustrie is het moeilijk te monitoren welke levensweg een broek of een trui aflegt – niemand houdt echt zicht op wat er gebeurt met de kleren die we exporteren, legt Roeland uit.

‘Een Zwitserse organisatie heeft dat laatst onderzocht door Apple AirTags (trackers om zoekgeraakte spullen terug te vinden, red.) in kleding en schoenen te doen, die vervolgens naar een recyclebak zijn gebracht. Een deel ging naar Ghana, een deel naar Moldavië – wat het “afvoerputje” van Europa is geworden – en een deel naar de Chileense woestijn, omdat de dumpingtarieven daar het laagst zijn. Vaak blijkt dat hergebruik helemaal geen hergebruik is.’

Paul Roeland

Wil je werkelijk circulair zijn, dan zou je vanaf het moment dat kleding ontworpen wordt al moeten nadenken over wat er uiteindelijk met het product gebeurt, zegt Roeland. ‘Dus niet “tot ik het verkocht heb”, maar tot aan “wat gaat ermee gebeuren en hoe kan het hergebruikt worden?” Maar er moet vooral een omslag komen naar minder kleding, van betere kwaliteit, onder betere omstandigheden gemaakt. Kleding waar je méér waarde aan hecht en die je dus ook langer gebruikt.’

In het ideale scenario ziet Roeland dat consumenten een QR-code kunnen scannen die inzicht geeft in de herkomst van het katoen, uit welke fabriek het kledingstuk komt en op welke wijze het is gemaakt. ‘En achteraf,’ filosofeert hij, ‘moet je kunnen zien waar het heengaat als jij het wegdoet. Je hebt nu geen gereedschap om betere keuzes te maken; je kunt als consument niet zoveel, tenzij je er doorlopend een studie van maakt, maar dat is veel te ingewikkeld. Ik werk in deze sector en zelfs ik weet niet wat er de hele dag gebeurt.’

En er is regelmatig sprake van greenwashing; kledingbedrijven doen zich beter of groener voor dan ze zijn. Ze hebben hun blik zozeer op duurzaamheid gericht dat ze geen of te weinig oog hebben voor de sociale consequenties van hun handelen. ‘Voor bedrijven richt circulaire economie zich vaak op milieudoelstellingen,’ zegt Van der Meer, ‘dus: rapporteren wat de impact op milieu is en vervuiling en klimaatverandering tegengaan, maar er zitten net zoveel sociale aspecten aan.’

Roeland: ‘Terwijl het milieu en de sociale kant vaak met elkaar te maken hebben. Watergebruik heeft direct invloed op de leefomgeving van mensen. Werknemers worden blootgesteld aan de chemicaliën waarmee ze kleding verven. Het looien van leer is slecht voor de gezondheid en heeft gevolgen voor de natuur. Kortom: je kunt de twee niet scheiden, alleen al omdat een groot deel van de industrie in extreem laaggelegen gebieden ligt, die gevoelig zijn voor zeespiegelstijging. Denk aan Bangladesh, Vietnam, Cambodja – de gevolgen zijn voor de mensen die daar wonen en werken.’

Zeemans voorbeeld volgen

Natuurlijk zijn er ook bedrijven die het radicaal anders doen, ziet Roeland. ‘Kijk naar Patagonia (een populair outdoor-merk, red.). Je kunt er alles laten repareren, de opbrengsten gaan naar een stichting die klimaatverandering tegengaat en het maakt nog stééds onwijs veel winst.’

Een Nederlands bedrijf dat het relatief goed doet is Zeeman, ‘dat heeft doorgerekend wat het kost als zijn producten tegen een leefbaar loon worden gemaakt’, vervolgt hij. ‘Dat kwam uit op een bedrag onder de vijf procent op de verkoopprijs. Toen dachten ze: dit gaan we doen. Het kàn dus, als je er serieus werk van maakt: dan is je T-shirt straks maar een euro duurder, maar het zal vaak ook met een kwaliteitsverhoging gepaard gaan – en met het goede gevoel dat mensen er niet voor zijn uitgebuit, en dat er niet ergens ladingen gif door een rivier stromen.’

Toch zijn het de uitzonderingen op de regel, zien ze allebei. ‘Ook als je in algemene zin naar circulaire economie kijkt,’ zegt Van der Meer, ‘dan zijn de meeste initiatieven kleinschalig en lokaal. Op een gegeven moment heb je schaalvergroting nodig: je moet een hele industrie meekrijgen. Dat kan door beleid te maken, in Nederland of Europees, zodat een sector voor impact kan zorgen en dat het niet alleen gebeurt met een projectje hier of daar.’

Regels voor de hele keten

Als de twee het ergens eens over zijn, dan is het dat overheidsingrijpen nodig is om voor verandering te zorgen. ‘Bedrijven gaan het zeker niet zelf doen’, zegt Roeland stellig. ‘Er zijn ontzettend mooie rapporten en voornemens, maar er komt weinig van terecht – de wetgever moet er grenzen aan stellen.’

Momenteel zitten er zowel Europees als nationaal wetten in de pijpleiding. ‘Er zijn al internationale frameworks om ermee om te gaan,’ zegt Roeland, ‘zoals de UN Guiding Principles, maar die zijn nog steeds niet in wetten omgezet. Er komt wel nieuwe EU-wetgeving, die zich hier ook op beroept en die alle landen gaan volgen, dus dat is cohertent.’

De kledingindustrie leidt tot vervuiling van het water in Bangladesh (credit Daniel Lanteige)

Het idee is dat die regelgeving in de hele keten doorwerkt. Bedrijven moeten verantwoordelijkheid gaan dragen voor wat er met kleding gebeurt nadat het gedragen is en minder materialen gaan gebruiken die bovendien makkelijker te scheiden zijn. ‘Dat heeft invloed op milieu, gedwongen arbeid, slechte arbeidsomstandigheden, kledingdumpingen… noem maar op. Vooral op sociaal gebied gaan de Europese wetten straks een stuk verder, ten opzichte van de rest van de wereld.’

Ook in Nederland ligt er een wet over ketenaansprakelijkheid, ‘maar die is er nog niet doorheen’, zegt Roeland. ‘Die gaat net een stapje verder dan de EU-wetgeving, omdat in Europa het midden- en kleinbedrijf buiten schot blijft. Dat kreeg Nederland er in de EU niet doorheen.’ Als de overheid met voorwaarden komt, dan maak je de transitie veel makkelijker, stelt hij. ‘Dan heb je bovendien niet de oneerlijke concurentie van bedrijven die zich nergens wat van aantrekken.’

Maar de overheid kan volgens hem ook wortel-en-stok spelen, dus het slechte verbieden en het goede stimuleren. ‘Bijvoorbeeld door minder importheffing te leggen op kleding die bewezen goed wordt geproduceerd. Je moet voorwaarden scheppen waarbij ondernemers denken: dit wordt interessant, ik heb er een goed verhaal mee en ik snijd mezelf niet in de vingers.’

Verliezers zullen er zijn

Met de wetgeving en het jaar 2050 als verre stip op de horizon lijkt een transitie aanstaande, maar hoe zorg je ervoor dat er uiteindelijk beleid wordt gevoerd dat voor iedereen werkt? Waar Nederland wat aan heeft, maar het Zuiden ook? Kortom: dat het coherent is? Het draait ten slotte altijd om verschillende, uiteenlopende belangen, zegt Van der Meer. De kunst is die allemaal in kaart te brengen en dan een zo goed mogelijke afweging te maken.

‘Als Nederland voor een circulaire economie kiest,’ zegt ze, ‘dan is het nodig dat we iets aan klimaatverandering doen. Positief, vanwege de lage zeespiegel hier. Goed, vanwege de grondstoffen ook, omdat we niet meer afhankelijk willen zijn van landen als Rusland.

‘Maar je hebt ook andere belangen: dat een continent als Afrika zich duurzaam ontwikkelt en dat daar geen klimaatverandering komt. Dat daar een afzetmarkt is, is uiteindelijk ook in ieders belang. Vanuit het oogpunt van coherentie is het daarom goed om eerst inzichtelijk te maken welke belangen er nu spelen – en soms houdt het in dat het ook voor ons beter is te kiezen voor iets dat op de korte termijn wat minder gunstig is voor Nederland, maar op lange termijn wèl goed uitpakt.

‘Dat spel is complex, want de keuze voor het één kan een tekortkoming op een ander gebied betekenen. Wat nu een negatief effect heeft, kan helpen om in de toekomst iets duurzamers te creëeren. Zodat de mensen die verliezen ook zoveel mogelijk worden gestimuleerd.’

Anne van der Meer

Want verliezers zullen er sowieso zijn. ‘Die heb je altijd’, zeggen ze samen. Van der Meer: ‘Stel dat een land het gewend is om katoen op een bepaalde manier te produceren en vanuit Europa wordt er plots gezegd: “Dat moet vanaf nu anders.” Dan gaan er eerst banen verloren, maar hoe kun je dat compenseren, hoe kun je een land ondersteunen om wel de stap naar een duurzamere keuze te maken en ervoor te zorgen dat niet ineens iedereen in die sector op straat staat?

‘Daarom is het zo belangrijk om altijd inzichtelijk te maken wat je doet. Probeer die groep zo klein mogelijk te houden en laat het een bewuste keuze zijn. En: als wij beleid maken vanuit Nederland, praat dan met lokale ngo’s, organisaties en arbeiders, zodat je ook hun signalen goed doorkrijgt. Met altijd als uitgangspunt: do no harm.’

Tip voor de minister

 Voor beleidscoherentie is er hoe dan ook een lange adem nodig, benadrukt Van der Meer. ‘Dat is in de politiek natuurlijk vrij lastig, omdat je meestal drie, vier jaar naar voren kijkt. Daarom is het inzichtelijk maken van de belangen en keuzes ook zo nodig.’

Daarbij heeft ze nog wel een tip voor de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking: ‘Begin dit jaar verschijnt het Nationaal programma circulaire economie, dat ons straks op weg moet helpen naar 2050. Als je nu debatten in de Tweede Kamer kijkt over circulaire economie, dan gaat het over statiegeld en het inzamelen van blikjes en kleding.

‘Maar de internationale impact en dus ook de impact op ontwikkelingslanden moet voldoende worden meegenomen, want wij zijn een klein landje, maar hebben toch een grote impact. Dus dat moet een stevige plaats in het programma krijgen – en de minister moet daar echt bij betrokken zijn. Het monitoren hoeft niet vanaf de eerste stap honderd procent goed te gaan, zolang maar duidelijk is wat de impact zal zijn.’

Roeland: ‘Er zullen ongetwijfeld niet-ideale tussenstappen worden genomen. Er is ook al eens onderzoek gedaan naar de post-consumer-kleding die nu naar Afrika gaat en te slecht is om nog gedragen te worden, dus is het misschien goed naar andere oplossingen te kijken, naar tussenstappen, ook als die suboptimaal zijn. Zoals het maken van muurisolatie van oude kleding.

‘Ga je voor honderd procent ideaal, dan zal er niets gebeuren. En maak het inzichtelijk, zeg eerlijk: we brengen de schade terug, op termijn moeten er betere oplossingen komen, maar voor het probleem waar we nu mee zitten is dit acceptabeler dan de huidige oplossing.

‘Want in de tijd dat de kleding die wij in Afrika dumpten nog wel goed genoeg was, was dat óók geen ideaal model – het heeft de lokale industrie uit de markt geprijsd. Er groeit daar genoeg katoen, ze maakten er prachtige producten.

‘Als wij er geen kleding meer dumpen, dan verliezen misschien wat mensen hun werk, maar kan er daardoor ook weer ruimte voor de lokale kledingindustrie ontstaan, die niet over de halve wereld hoeft te verschepen. Een industrie die haar eigen culturele tradities en landbouw weer in ere herstelt, dat zou een buitengewoon mooie transitie zijn.’

De melkwetcontroverse

Door Joris Tielens | 03 februari 2023

Een door Nederland gesteund programma had tot doel de melkveesector in Kenia efficiënter te maken, maar critici zeggen dat het vooral om de ‘eigen’ bedrijven ging, en niet om ontwikkeling – dat is geen coherent beleid, stellen ze. Wat is waar? Slotdeel van het tweeluik.

Lees artikel

Melkhandel: met de ene hand geven, met de andere nemen?

Door Joris Tielens | 01 februari 2023

De overproductie van melk leidt in Nederland niet alleen tot een stikstofcrisis, maar de export van melkpoeder naar Afrika lijkt óók weinig goeds te doen: lokale boeren kunnen er niet mee concurreren. Dat gebeurt nu ook in Kenia, zeggen betrokkenen daar. Aan de andere kant stak Nederland veel ontwikkelingsgeld in de Afrikaanse melkveesector – hoe valt dat te rijmen? Deel één van een tweeluik.

Lees artikel

Beleidscoherentie: van ‘boemeltreintje’ tot ‘intercity’

Door Lennaert Rooijakkers | 26 januari 2023

Bij het Grote Coherentiedebat dat Vice Versa vorige week met zijn partners in Nieuwspoort organiseerde, bleek dat de praktijk steeds coherenter wordt – al blijft het samenspel tussen de ministeries ingewikkeld. ‘Soms is het echt een worsteling’, maar niettemin wil iedereen dóór.

Lees artikel