Door:
Marlies Moret-Verwoerd

9 februari 2024

Tags

Al een leven lang is Dick Wittenberg journalist. Vaak schreef hij over personen die in de knel komen, zowel in Afrika als in Nederland. Met zijn stijl zorgde hij voor veel betrokkenheid bij mensen in compleet andere omstandigheden – hoe deed hij dat? ‘Al is het maar een druppel op de gloeiende plaat: toch blijven druppelen.’

Op de vraag wat zijn werk typeert, citeert Dick Wittenberg uit de Driestuiversopera van Bertolt Brecht: ‘“Und man sieht nur die im Lichte, die im Dunkeln sieht man nicht”. Ik ben altijd het meest geïnteresseerd geweest in die mensen in het donker, die in de schaduw staan en die je gewoonlijk niet hoort of ziet. Bij die mensen zet ik graag een lichtje.’

De rode draad is ook zichtbaar in Wittenbergs boeken: hij schreef er twee over alledaagse armoede, Binnen is het donker, buiten is het licht en Het gezicht van de armoede. In Prikkeldraad beschreef hij hoe hekken overal ter wereld mensen in- of buitensluiten en Wat doen we met de spullen? behandelt dat wat mensen nalaten. ‘Binnenkort reis ik naar Rwanda,’ zegt hij, ‘waar ik met tweedegeneratieslachtoffers van de genocide zal spreken – van materiële kom ik dus ook bij immateriële nalatenschap terecht.’

Was die motivatie ook de reden dat u schrijver wilde worden?

 ‘Als journalist was ik een allesvreter: ik was achtereenvolgens financieel verslaggever, correspondent en sportredacteur. Ik was een rare sportjournalist, maakte vreemde verhalen. Ooit praatte ik twee uur lang met Erik Breukink over zijn benen, hij kon daar fantastisch over vertellen…

‘Met Hans van Breukelen maakte ik eens een prachtig verhaal over het belang van publiek tijdens de wedstrijd en tijdens de Tour schreef ik verslagen van etappes in de stijl van schrijvers – zo imiteerde ik Louis Paul Boon tijdens de Ronde van Vlaanderen. Ik had aanhangers, maar er waren ook lezers die vonden dat ik nodig moest stoppen met schrijven. Het was grensverleggende sportjournalistiek, zelf ben ik er nog erg tevreden over.

‘Ik werd pas echt gelukkig toen ik redacteur Afrika was bij NRC Handelsblad. Die positie had als voordeel dat ik relatief veel tijd had, want correspondenten gingen naar de grote crises en zo kon ik in relatief rustige landen achtergrondverhalen maken.’

Hoe was uw kennismaking met Afrika?

‘Bij wijze van introductie mocht ik er van de NRC zes weken rondreizen. Ik koos drie landen en één onderwerp. Ik houd erg van alles op tijd doen en volgens plan – in Afrika is het onzin daaraan vast te houden, je raakt alleen maar gefrustreerd en uiteindelijk blijkt er toch van alles en nog wat te lukken. De kennismaking was dus een goede les. Ook heb ik het idee dat ik tijdens die eerste reizen mijn intuïtie ontwikkelde. Ik had nooit negatieve ervaringen. Natuurlijk heb ik geluk gehad, maar mijn intuïtie heeft me daarbij zeker geholpen.’

De tijd nemen voor een verhaal, hoe werkt dat?

‘Het belang ervan werd me voor het eerst duidelijk toen ik ruim twintig jaar geleden naar Malawi werd gestuurd, om een grote hongersnood te verslaan. Ik zat met drie collega-journalisten in het vliegtuig, zij namens buitenlandse media. Ze vroegen me hoeveel tijd ik had om een verhaal op te halen. “Twee weken”, zei ik. Zij hadden allemaal twee dagen.

‘Ik was daar verbijsterd over. Een hulporganisatie had vier bewoners van een getroffen dorp naar het kantoor in de hoofdstad gehaald, twee volwassenen en twee ondervoede kinderen, die daar geïnterviewd konden worden. Ik vind dat bijna onethisch. Hoe kun je in zo’n korte tijd èn op afstand nou een beeld van een hongersnood krijgen?

Dick Wittenberg in Karongi, Ruand, 2024. Beeld: Jan Banning

‘Ik was blij dat ik de tijd had om op eigen houtje op onderzoek uit te gaan: ik reisde door naar de binnenlanden en ontdekte dat veel hulp die plaatsen nooit bereikte. Ontwikkelingsorganisaties schetsten een veel te rooskleurig beeld.

‘De tijd nemen, dat deed ik ook toen ik met fotograaf Jan Banning enkele weken neerstreek in het Malawiaanse dorp Dickisoni. Ik deed mijn best om een gelijkwaardige band met de dorpelingen op te bouwen, en ik deed zoals zij. Als ze voor mij knielden, knielde ik voor hen. Ik at zoals zij, woonde zoals zij, had – net als zij – geen ander vervoermiddel dan mijn benen. Ik onderging het naakte bestaan in een Afrikaans dorp.

‘Het leven werd tot het meest essentiële teruggebracht: in beperkte mate eten, werken op het land, contact met mededorpelingen. Uiteindelijk woonde ik er meerdere keren en schreef ik twee boeken over het dorp. Voor het eerste boek fotografeerde Banning de dorpelingen met al hun bezittingen op een rieten mat. Een kleine versiering, een oorringetje, een pan, wat gereedschap – het fascineerde me met hoe weinig spullen je toe kunt.’

Spullen zijn duidelijk een thema in uw werk.

 ‘Als ik terugkeerde uit Afrika, had ik altijd moeite met de overvloed. Ik woon in het centrum van Dordrecht en meed in die periodes de winkelstraten. Al die overdaad, ik werd er letterlijk onpasselijk van.

‘In Brabant volgde ik het leven van Jo van Overdijk aan de hand van haar materiële nalatenschap, voor mijn boek Wat doen we met de spullen? Op haar achttiende had ze vijftig dingen, maar toen ze op negentigjarige leeftijd overleed, waren het er meer dan tienduizend. Terwijl ze niet eens een rijke vrouw was – dat tekent de rijkdom van onze maatschappij.

‘Door het boek ben ik ook anders naar mijn eigen spullen gaan kijken, en heb ik met mijn kinderen een “spullenweek” gehouden: in een paar dagen ben ik door al mijn bezittingen gegaan. Wat heeft echt nog waarde voor me? Ik vroeg mijn kinderen me een dagdeel te vergezellen, zodat ik door hun ogen naar mijn spullen kon kijken – een prachtige gelegenheid om het over immaterieel erfgoed te hebben. Van welke boodschappen heb je nog last, en waar heb je baat bij?’

Wat heeft u zelf in immaterieel opzicht van Afrika geleerd?

‘Dat je alleen mens bent te midden van anderen. Het is een uitspraak die ik graag van Chifumbi overneem, een vriend uit Malawi. Ik aarzel om het te zeggen, omdat het de mensen niet helemaal rechtdoet, maar ik heb zoveel mensen in de meest benarde situaties gezien, die me een grote blijdschap en hartelijkheid toonden en die toch deelden wat ze hadden. Voor mij betekent het dat ik ook iets te geven heb. Die behoefte is er, ook door mijn werk. Ik laat mijn lezers kennismaken met mensen over wie ze anders nooit hadden gehoord.’

U bent ook bij ontwikkelingsprojecten betrokken geraakt. Zat dat uw werk als journalist weleens in de weg?

‘Lang probeerde ik op afstand van ontwikkelingsorganisaties te blijven, ik vond het niet passen bij mijn rol als journalist. Na mijn eerste grote verhaal over het Malawiaanse dorp overstelpten mensen de krant met vragen hoe ze konden bijdragen – dat was helemaal niet mijn bedoeling. Ik liep met het idee om een boek te schrijven, daarvoor moest het dorp niet veranderen.

‘Tegelijk besefte ik dat ik er niet voor kon gaan liggen, dus werd ik ongewild onderdeel van een hulporganisatie. Het was zo amateuristisch als de pest, maar binnen de kortste keren was er meer dan honderdduizend euro binnen. We riepen de stichting Vrienden van Dick in het leven en uiteindelijk is dat geld allemaal besteed. Eigenlijk was ik liever buitenstaander gebleven, het was geen ideale situatie, maar door het zo eerlijk mogelijk te beschrijven vond ik dat het kon.

‘In mijn tweede boek vertel ik wat die ontwikkelingshulp de dorpelingen heeft opgeleverd. Natuurlijk zijn er fouten gemaakt, dat hoort er allemaal bij. Op dat moment – tien jaar later – zag ik echter heel basale vooruitgang: het dorp was gegroeid, er waren bakstenen huizen, ossenkarren en motorfietsen. Bijna iedereen had vee, de kinderen gingen naar school… Ik heb het altijd belangrijk gevonden de nadruk op wat er al bereikt is te leggen. Door zo te schrijven, kun je het draagvlak voor hulpprojecten vergroten.’

Hoe denkt u dat het met dat draagvlak is gesteld?

 ‘Daar maak ik me wel zorgen over; ik heb het idee dat de Nederlandse samenleving steeds meer naar binnen is gaan kijken. Er wordt geschreven dat inmiddels ook de hogere middenklasse zich zorgen maakt over bestaanszekerheid. Ik denk dan: kijk eens naar de bestaanszekerheid buíten Europa!’

Kunnen schrijvers een bijdrage leveren?

 ‘Ja, een marginale rol, maar toch: een goed verhaal kan mensen in het hart raken en tot actie doen besluiten. Het lijkt misschien alsof ik geneigd ben over mensen te schrijven die het slecht hebben, maar dat is niet zo: de veerkracht van mensen in idiote omstandigheden maakt me juist blij. Dat zijn helden!

‘Kijk maar naar de foto’s van de Malawiaanse dorpelingen met hun spullen, in mijn eerste boek: het zijn allemaal mensen die trots uit hun ogen kijken. Ik schrijf over de helden die niet direct in het oog springen, ik bejubel hun veerkracht en zelfredzaamheid.’

Uw werk wordt vaak als sober getypeerd. Zouden meer schrijvers die stijl moeten hanteren?

 ‘Over dat laatste twijfel ik – en in mijn oudere verhalen zie ik trouwens veel krullen en bellen. Ik ben steeds soberder gaan schrijven, want mijn omgeving vroeg om soberheid: geen holle frases, niet te veel bijvoeglijke naamwoorden. Het is goed precies en nauwkeurig te schrijven, liever nog te beschrijven dan te interpreteren. Ik schrijf belachelijk langzaam, vind het fijn als zinnen meteen goed zijn en ik ben pas tevreden als een zin is teruggebracht tot de essentie. Wijdlopigheid doet de lezer tekort, want die weet het dan nog steeds niet.’

Hoe kijkt u naar de wereld, na alles wat u ervan heeft gezien?

‘Het is een tamelijk onherbergzame plaats voor het overgrote deel van de wereldbevolking. Als ik het zeg, word ik somber. Tegelijk: de enige manier om ermee om te gaan is tegenwicht te bieden. Klein, in je eigen omgeving, door bij wijze van spreken soep naar de buurvrouw te brengen. Het is fijn om iets voor anderen te doen, geven geeft betekenis. Al is het maar een druppel op de gloeiende plaat: toch blijven druppelen.’

Dick Wittenberg (1953) is schrijver en journalist. Ruim dertig jaar werkte hij voor NRC Handelsblad, in binnen- en buitenland, en sinds 2013 schrijft hij voor De Correspondent. In 2008 won hij samen met fotograaf Jan Banning de Bob den Uyl Prijs voor Binnen is het donker, buiten is het licht. Hij is bij de Nederlandse stichting Oud in Afrika betrokken, die haar activiteiten in 2023 bij Woord en Daad onderbracht

Pleidooi voor ‘vermaatschappelijking’

Door Ruerd Ruben | 20 mei 2024

David Heyer heeft met Wie heeft het geld opgegeten? een sympathiek en prikkelend boek geschreven over andere mogelijkheden om met Nederlands ontwikkelingsgeld Afrika vooruit te helpen. Ruerd Ruben recenseert

Lees artikel

Boekrecensie Kijk niet weg

Door Hans Beerends | 10 mei 2024

Jan Pronk, activist, politiek analist, minister en hoogleraar schreef honderden artikelen, tientallen boeken en beleidsnota’s. Daarnaast schreven tientallen…

Lees artikel

Tijd voor een feestje?

Door Marc Broere | 09 mei 2024

Juist nu we in Nederland 75 jaar ontwikkelingssamenwerking ‘bedrijven’, staat het misschien wel meer dan ooit onder druk: tijd om het te vieren, of om er een eind aan te breien? Praat mee op 10 juni in de Rode Hoed.

Lees artikel