Door:
Ruerd Ruben

20 mei 2024

Tags

David Heyer heeft met Wie heeft het geld opgegeten? een sympathiek en prikkelend boek geschreven over andere mogelijkheden om met Nederlands ontwikkelingsgeld Afrika vooruit te helpen. Ruerd Ruben recenseert.

Het boek is gebaseerd op de ervaringen van de auteur tijdens een veertigtal dienstreizen naar Afrikaanse landen als fondsenwerver voor de katholieke goede-doelenorganisatie HospitaalBroeders, gecombineerd met conclusies uit kritische analyses van de effectiviteit van ontwikkelings­samenwerking van welbekende auteurs als Easterly, Sacks, Collier, Riddell en Moyo.

Heyer laat zien dat ontwikkelingssamenwerking wordt verleend via zes kanalen (bi- en multilateraal, grote en kleine ngo’s, particuliere initiatieven en remittances), die verschillende doelen dienen en elkaar zouden kunnen aanvullen. Hij is daarbij zeer kritisch over de bilaterale hulp van de Nederlandse overheid en heeft daarentegen veel vertrouwen in de effectiviteit van ngo’s en goede-doelenorganisaties.

Hij verwijst daarbij veelvuldig naar de zogeheten micro-macroparadox: er zijn veel succesvolle lokale ontwikkelingsprojecten, maar op nationaal niveau zijn de effecten op de vermindering van armoede beperkt (omdat er – volgens Heyer – veel geld verdwijnt). Maar dat is een oneigenlijke voorstelling van het werkelijke probleem: de macro-effecten zijn juist zo beperkt omdat de omvang van de hulp erg klein is, terwijl veel projectsteun na beëindiging van de financiering nauwelijks duurzaam blijkt te zijn.

Het boek constateert dat er ‘honderden miljoenen aan hulpgeld van de Nederlandse overheid verdwijnen’ en dat de combinatie van handel en hulp een ongelukkig huwelijk is, waarvan voornamelijk Nederlandse bedrijven profiteren. Verder gaat er veel geld naar salarissen van consultants en zijn de kosten van verantwoording onevenredig hoog. Multilaterale organisaties als het IMF en de Wereldbank vergroten de armoede door hun strikte eisen om de overheidsfinanciën in Afrikaanse landen op orde te brengen – en filantrokapitalisten als Gates en Zuckerberg stellen geheel eigen voorwaarden voor steun aan hulpprojecten en zijn aan niemand verantwoording schuldig.

Vermaatschappelijking

Heyer doet uiteindelijk een aantal voorstellen om de effectiviteit van de hulp te vergroten. Het belangrijkste idee is de invoering van een multiplier waarmee de Nederlandse overheid de eigen middelen van ngo’s verdubbelt, om zo hun armslag te vergroten – het Nederlandse medefinancieringsstelsel was tot 1980 daarop gebaseerd. Verder zou de steun niet geoormerkt moeten zijn om flexibele, meerjarige structurele programmafinanciering mogelijk te maken. De ANBI-status en het CBF-keurmerk zouden voldoende vertrouwen kunnen bieden in de rechtmatigheid van de bestedingen, zodat uitgebreide impactstudies en gedetailleerde rapportages niet meer nodig zijn.

Dat alles klinkt als een sympathiek pleidooi voor ‘vermaatschappelijking’ van de ontwikkelings­samenwerking: het stelt betrokkenheid en vertrouwen centraal en roept op tot grotere professionaliteit. De rol van de Nederlandse overheid zou zich dan moeten beperken tot het scheppen van voorwaarden voor eerlijke handel, het terugdringen van belastingontwijking en het bevorderen van het maatschappelijk middenveld.

Heyer gebruikt maar weinig feitelijke data in zijn boek en daardoor heeft hij de neiging om het zicht op reële dimensies te verliezen. Zo wordt de ‘massale’ hulp aan Afrika schromelijk overschat: in 2022 ging er voor zo’n vijftig miljard dollar aan hulp naar Afrika – ongeveer een kwart van alle ontwikkelingssamenwerking – en dat is nauwelijks anderhalf procent van het Afrikaanse nationale inkomen. Van de Nederlandse hulp wordt dertien procent (850 miljoen dollar in 2022) in Afrika besteed. Aan evaluaties wordt bij bilaterale hulp in de regel twee tot drie procent van het budget besteed. Ter vergelijking: de HospitaalBroeders besteden 4,8 procent aan beheer en administratie, en 13,4 procent aan fondsenwerving.

Ook op het gebied van handel zijn de cijfers sprekend. Het Afrikaanse aandeel in de wereldhandel blijft met drie procent opmerkelijk laag (tegen achttien procent van de wereldbevolking). Het belang van Afrika voor de Nederlandse goederenimport was in 2020 nauwelijks 2,6 procent en met een exportaandeel van 3,1 procent was Afrika als bestemming voor Nederlandse goederen een kleine speler.

Nederlandse directe investeringen in Afrika vertegenwoordigen bijna 3,3 procent van de totale uitstaande directe investeringen (vooral in Egypte en Zuid-Afrika), maar alle buitenlandse investeringen sámen zijn nauwelijks twee, drie procent van het Afrikaanse bnp – er is dus eerder sprake van te weinig handel en investeringen dan van te veel. Het is uiteraard wel noodzakelijk om op betere handelsvoorwaarden (hogere lonen en prijzen) aan te dringen.

Veel te schetsmatig

Verder is de tweedeling overheid-ngo’s veel te schetsmatig. De effectiviteit van ngo-projecten is sterk afhankelijk van grootschalige overheidsinvesteringen in fysieke en sociale infrastructuur – daaraan dragen ngo’s nauwelijks bij. Wegen, energie, internet en drinkwater (nu vooral gefinancierd door de Wereldbank, de EU en China) zijn vitaal voor mobiliteit, connecties en de toegang tot kennis en informatie die mensen nodig hebben om hun werk- en levensomstandigheden te verbeteren.

Ook al spelen ngo’s een belangrijke rol bij het opbouwen van sociale voorzieningen als onderwijs en gezondheidszorg, het blijft van belang dat de financiering van personeel en gebouwen op langere termijn uit nationale middelen komt; anders ontstaat er een lappendeken aan voorzieningen en is de continuïteit niet gewaarborgd.

Als Heyer werkelijk het doel van vraagsturing nastreeft, zou het nuttig zijn om de directe financiering van lokale ngo’s in Afrika te bevorderen (mede vanuit Nederlandse ambassades), om ze ook minder afhankelijk van hun Nederlandse counterparts te maken. Ook zou het Nederlandse landschap van ngo’s en goede-doelenorganisaties – waar jaarlijks bij zo’n vijftien procent van de gecontroleerde instellingen de ANBI-status wordt ingetrokken – baat kunnen hebben bij een heldere taakverdeling en meer professionaliteit.

 

Wie heeft het geld opgegeten?

David Heyer

Boekscout, 206 blz.

21,99 euro

Tijd om samen een strategie te slijpen

Door Marc Broere | 16 juni 2024

De Nederlandse ontwikkelingssector moet zo vlug mogelijk een openbare raadpleging organiseren voor de zuidelijke partners om een strategie te kiezen tegenover de nieuwe minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. En de uitkomst van die raadpleging moet bindend zijn, betoogt Vice Versa-hoofdredacteur Marc Broere.

Lees artikel

Afscheid van een tijdperk

Door Paul Hoebink | 13 juni 2024

De ontwikkelingssamenwerking bestaat 75 jaar en in de tussentijd is de wereld drastisch veranderd. We moeten het oude idee loslaten en vervangen voor internationale samenwerking voor mondiale publieke goederen, zoals de strijd tegen klimaatverandering en milieuvervuiling en vóór verbetering van de zorg en verspreiding van kennis, meent Paul Hoebink.

Lees artikel

De voorlopige line-up van het Grote Coherentiedebat

Door Marc Broere | 10 juni 2024

De contouren van de derde editie van het Grote Coherentiedebat op woensdagmiddag 26 juni worden steeds duidelijker. Een uitgelezen mogelijkheid om nog één keer voor de zomervakantie rondom een belangrijk coherentiethema bij elkaar te komen en de rol van Nederland te bespreken. Dit keer gaat het over ongewenste geldstromen. Meld je aan door een email te sturen aan Benjamin@viceversaglobal.com.

Lees artikel