Door:
Paul Hoebink

13 juni 2024

Tags

De ontwikkelingssamenwerking bestaat 75 jaar en in de tussentijd is de wereld drastisch veranderd. We moeten het oude idee loslaten en vervangen voor internationale samenwerking voor mondiale publieke goederen, zoals de strijd tegen klimaatverandering en milieuvervuiling en vóór verbetering van de zorg en verspreiding van kennis, meent Paul Hoebink.

Vanaf het begin van de ontwikkelingssamenwerking, 75 jaar geleden, liepen er eigenlijk drie werelden door elkaar: die van de Verenigde Naties (en later ook de Wereldbank) met hun rapporten en conferenties, die van de donorlanden – de Verenigde Staten voorop – en die van de ontwikkelingslanden, die door de dekolonisatie in aantal en uiteindelijk ook in macht en zelfstandigheid groeiden.

Na een eerste decennium vooral coördinator van technische hulp te zijn geweest, wierpen de VN zich vanaf de tweede helft van de jaren zeventig op als producent van rapporten en promotor van een Nieuwe Internationale Economische Orde. Die NIEO en de rapporten van Lester Pearson (1969) tot en met dat van Willy Brandt (1980) hebben zeker hun sporen nagelaten in het ‘ontwikkelingsdenken’, maar stierven uiteindelijk een stille dood in de schuldencrisis van de jaren tachtig en de bijbehorende structurele aanpassingsprogramma’s van het IMF en de Wereldbank.

Pas in de jaren negentig zouden de VN zich op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking kunnen hervinden met de millenniumdoelen, voortkomend uit verschillende door de VN georganiseerde internationale conferenties op het terrein van vrouwenrechten, gezondheidszorg en onderwijs – vanaf 2015 vormgegeven in de duurzame ontwikkelingsdoelen, die ook voor de ontwikkelde landen gelden. Allebei hebben ze, in ieder geval op het eerste gezicht, veel meer richting aan de ontwikkelingssamenwerking gegeven.

De rol van Washington

Intussen had ook de wereld van de donorlanden zijn vormen herkregen, te beginnen in de Verenigde Staten, waar president Truman op zoek was naar ideeën voor zijn Bold New Program en dat als vierde punt aangereikt kreeg van een jonge diplomaat in Brazilië. Het leidde midden in de Koude Oorlog tot massieve Amerikaanse hulp aan Zuid-Korea en Taiwan, niet alleen ter illustratie dat ontwikkelingshulp heel succesvol kan zijn, maar ook dat de Amerikaanse hulp altijd gedomineerd was door politieke en strategische motieven.

Onder Amerikaanse druk begonnen ook Europese landen na hun economisch herstel in de loop van de jaren zestig met het geven van ontwikkelingshulp, en ook hier speelde ‘eigenbelang’ een centrale rol. Die hulp was namelijk in al die landen gebonden aan leveranties van hun nationale bedrijfsleven – dat maakte die hulp niet alleen veel duurder, maar leidde ook tot een lange serie mislukte ontwikkelingsprojecten, omdat veel geleverde apparatuur niet aangepast was, technische ondersteuning en onderdelenleveranties uitbleven.

Ook in Nederland, en ook tijdens de eerste periode van Jan Pronk als minister, was de Nederlandse hulp gebonden. Dat Nederlandse profijt is dus niet van recente datum, maar dateert al van het begin van de bilaterale Nederlandse hulp midden jaren zestig. Daar kwam pas een kentering in toen in de regeringsverklaring van het kabinet-Van Agt de Nederlandse hulp ‘partieel ontbonden’ werd, hulp dus ook in ontwikkelingslanden besteed kon worden. Geleidelijk aan zien we dan een verschuiving en wordt er steeds minder en minder hulp in Nederland zelf besteed, waardoor het Nederlandse directe profijt de laatste decennia minimaal is.

Drie ontwikkelingen

De meest drastische veranderingen hebben we in de afgelopen 75 jaar in de derde wereld gezien. Vanaf de onafhankelijkheid van landen in Azië tot aan die van de Portugese koloniën in de jaren zeventig is er een breed amalgaam aan landen ontstaan met drie opmerkelijk processen. Ten eerste de opkomst van nieuwe wereldmachten (China, India, Brazilië) en daarachter een tweede echelon dat zich de wet niet meer laat voorschrijven door het IMF, de Wereldbank, de VN of de VS – dat maakt de Nieuwe Wereldorde uitermate complex en tegelijkertijd uitermate dynamisch, ook op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking.

Ten tweede is er de enorme sociale vooruitgang: de grote teruggang in armoede, betere gezondheidszorg en onderwijs. Vooral in Azië, maar ook in Latijns-Amerika en Sub-Sahara-Afrika. Die vooruitgang is vooral veroorzaakt door economische groei, met slechts een geringe bijdrage vanuit de ontwikkelingshulp.

Ten derde zien we in dat amalgaam van landen het aantal autoritaire en corrupte regimes toenemen, wat het Freedom House de global expansion of authoritarian rule noemt. De ook vanuit de solidariteitsbeweging in Nederland ondersteunde bevrijdingsbewegingen, van Nicaragua tot Angola, ontpopten zich tot onderdrukkers en zakkenrollers.

De consequenties

Wat betekenen deze drie, grof geschetste ontwikkelingen nu voor de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking? Dat het in Nederland tot internationale samenwerking zal moeten worden omgevormd: samenwerking bij klimaataanpassing (zoals op het terrein van water), van gezondheidszorg (ziektes stoppen niet aan de grens) en van onderwijs en kennis (mensen opleiden leidt tot vooruitgang) – oftewel: op wat we mondiale publieke goederen noemen.

Daar is lastenverdeling (burden sharing), een bijdrage op grond van de rijkdom van een land, van betekenis. Dat zou de beroemde 0,7 procent van het bnp kunnen zijn, maar ook 0,8 of 0,6 procent, afhankelijk van nieuwe internationale onderhandelingen.

En we moeten de multilaterale hulp versterken op de mondiale publieke goederen die we van grote betekenis vinden. Dat betekent ook een veel kritischer houding ten aanzien van internationale ontwikkelingsorganisaties dan Nederland ooit gehad heeft: sommige VN-organisaties versplinteren hun hulp over zóveel landen dat die nauwelijks meer effectief is. Veel meer inzet dus op gespecialiseerde, professionele internationale organisaties.

Tot slot moeten we ook de bilaterale hulp stoppen. Het is tekenend dat de belangrijkste directe ontvangers van Nederlandse hulp, zoals Ethiopië en Oeganda, ook grote mensenrechtenschenders zijn. Bovendien is in deze eenentwintigste eeuw, na 75 jaar armoedebestrijding, zorgen voor goed onderwijs en adequate gezondheidszorg de eerste verantwoordelijkheid van de regeringen in de ontwikkelingslanden zelf – daar kunnen de Nederlandse dubbeltjes niet echt aan bijdragen.

Na 75 jaar is het dus tijd voor een radicale omwenteling van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, om afscheid te nemen van een oud tijdperk, van oude gedachten, omdat die sleets zijn geworden, geen zicht meer geven op die zo drastisch veranderde wereld.

Paul Hoebink is gasthoogleraar bij de master Sustainable Development van de Hochschule Rhein-Waal in Kleve

Pas bij direct contact tussen mensen, begint verandering

Door Sera Koolmees | 10 juli 2024

In de derde aflevering van de podcast ‘Levenslang activist’ gaat Sera Koolmees in gesprek met Ernst Jan Stroes, …

Lees artikel

Vox Pop: De kijk van het publiek in Kampala op corruptie

Door Abdulwadud Bayo | 05 juli 2024

Voor het Grote Coherentiedebat over ongewenste geldstromen, ging de redactie van Vice Versa Global in Oeganda de straat…

Lees artikel

Afrika verdient béter: wie durft?

Door Nienke Uil | 03 juli 2024

Het is tijd het continent serieus te nemen, betoogt Nienke Uil, met een halve lofzang en een half pleidooi: ‘Het ligt aan een donorinfuus, maar het is geen patiënt, geen slachtoffer en al zeker geen domme schone.’

Lees artikel