Door:
Melvin Van der Veen

31 March 2025

Tags

Traditionele ontwikkelingshulp houdt Afrika vast in een hulpverslaving, maar ontwikkelingssamenwerking is juist essentieel om deze postkoloniale afhankelijkheid te doorbreken, betoogt Melvin van der Veen in reactie op een interview in NRC met de Kameroense econoom Célestin Monga. Met het afbreken van deze samenwerking op basis van gelijkwaardigheid komen juist de stemmen van Afrikaanse maatschappelijke organisaties, inheemse gemeenschappen, jeugd- en vrouwenbewegingen, en mensenrechtenverdedigers in de verdrukking, en lossen we mondiale problemen niet op.

In zijn recente interview in NRC stelt de Kameroense econoom Célestin Monga dat het afbouwen van ontwikkelingshulp een kans kan zijn voor Afrika om zich los te maken van een systeem dat eerder afhankelijkheid creëerde dan duurzame ontwikkeling bracht. Zijn kritiek op het traditionele hulpsysteem is scherp en terecht: het versterkt de greep van externe instellingen en ondermijnt lokaal eigenaarschap. Afrika, betoogt Monga, moet bevrijd worden van zes decennia van ‘hulpverslaving’ en inzetten op structurele economische autonomie.

Toch blijft in zijn analyse een cruciale nuance onderbelicht: het verschil tussen ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking. Deze internationale samenwerking – die niet gaat over geven, maar over verbinden – is juist essentieel om die afhankelijkheidsstructuren te doorbreken. Monga’s betoog dreigt anders onbedoeld als rechtvaardiging te worden gelezen voor de draconische bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking, zoals die overal ter wereld en ook in Nederland plaatsvinden.

Want waar traditionele hulp (denk aan de financiering van ziekenhuizen of het aanleggen van waterpompen) vaak postkoloniale afhankelijkheid in stand houdt, zoals Monga terecht benoemt, biedt internationale samenwerking juist ruimte voor het werken aan gedeelde belangen. Een samenwerking op basis van gelijkwaardigheid draagt ook bij aan wederzijds leren, en een effectieve aanpak van mondiale problemen zoals de huidige oneerlijke handelsverhoudingen, klimaatverandering en conflicten. Maatschappelijke organisaties, inheemse gemeenschappen, jeugd- en vrouwenbewegingen, en mensenrechtenverdedigers staan midden in de samenleving – én aan de frontlinie van de gevolgen van klimaatverandering, mijnbouw en handelsbeleid. Door mensenrechtenschendingen te signaleren, te bouwen aan sociale cohesie, en bij te dragen aan structurele beleidsverandering, dragen zij in belangrijke mate bij aan rechtvaardig en effectief beleid ten behoeve van internationale veiligheid, stabiliteit en duurzaamheid. Maar het zijn juist deze stemmen die nu steeds meer in de verdrukking komen.

Waar het Nederlandse beleid zich jarenlang juist bewoog richting gelijkwaardige samenwerking met maatschappelijke actoren, keert het nu kabinet terug naar het frame van ‘ontwikkelingshulp’ – het gebruik van deze term doet de huidige vormen van internationale samenwerking tekort en maakt het rigoureus bezuinigen hierop makkelijker. Onder het mom van ‘efficiëntie’ en ‘eigenbelang’ wordt niet langer samengewerkt vanuit solidariteit of op basis van verantwoordelijkheid en wederkerigheid. Het beschikbare budget voor ‘Handel en Ontwikkelingshulp’ wordt hoofdzakelijk aangewend om kansen te creëren voor het Nederlandse bedrijfsleven. Internationale solidariteit is ver te zoeken.

Deze versmalling van ‘eigenbelang’ doet niet alleen moreel tekort – het is kortzichtig en  schadelijk voor het Nederlandse belang . Het idee dat ontwikkelingsbeleid zich in verdienvermogen moet terugbetalen, miskent namelijk de bredere belangen die Nederland heeft in sterke internationale partnerschappen en een stabiele, rechtvaardige wereldorde. De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) waarschuwde hier al eerder voor. In het rapport Nederland in de wereld benadrukt de AIV dat Nederland als open economie sterk afhankelijk is van mondiale publieke goederen, zoals water, voedsel en klimaat. Internationale samenwerking – met overheden én met het maatschappelijk middenveld – is geen liefdadigheid, maar van strategisch belang.

Monga’s analyse vraagt om een reflectie op hoe wij internationaal ontwikkelingsbeleid inrichten. Niet door het af te bouwen, maar door het opnieuw vorm te geven – eerlijker, rechtvaardiger en met oog op de lange termijn. Wat we in deze tijden van polarisatie en geopolitieke onrust nodig hebben, is allerminst een terugkeer naar ‘hulp’, maar juist een verdieping van samenwerking. De grote opgaven van deze tijd – van klimaat tot migratie, van voedselzekerheid tot digitale rechten – laten zich niet oplossen binnen nationale grenzen. Ze vragen om systemische en creatieve oplossingen, met ruimte voor lokale kennis en partnerschappen. Want wat goed is voor de wereld, is uiteindelijk ook goed voor Nederland.

Melvin van der Veen, beleidsmedewerker bij milieu- en mensenrechtenorganisatie Both ENDS

 

De taal veranderde, de macht bleef waar ze was

By Marc Broere | 29 October 2026

Al decennialang belooft de ontwikkelingssector meer zeggenschap voor organisaties in Afrika en Azië. Toch blijven geld en beslissingsmacht vooral in het Westen. Het nieuwe AIV-advies biedt een kans om daar eindelijk verandering in te brengen, schrijven Marc Broere en Ellen Mangnus. Maar dan moet de Nederlandse ontwikkelingssector ook bereid zijn de eigen positie ter discussie te stellen.

Lees artikel

Op weg naar een nieuwe basis en rationale voor Internationale Samenwerking

By Ruerd Ruben | 23 October 2026

Het draagvlak voor internationale samenwerking staat onder druk. Volgens emeritus-hoogleraar Ruerd Ruben vraagt dat niet alleen om een nieuw verhaal, maar ook om een nieuwe maatschappelijke basis. Kerken, voetbalclubs en vakbonden kunnen daarin een belangrijke rol spelen.

Lees artikel

Nairobi reageert live op nieuw AIV-advies over toekomst internationale samenwerking

By Vice Versa | 20 October 2026

Op dezelfde dag dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in Den Haag zijn nieuwe advies over de toekomst…

Lees artikel