Door:
Margit van Wessel

30 June 2025

Tags

Nederlandse ontwikkelingsorganisaties weten waar ze aan toe zijn. Afgelopen vrijdag verscheen de Kamerbrief waarin demissionair minister Veldkamp de contouren schetste van het nieuwe subsidiekader dat als naam ‘Focus’ heeft gekregen. Margit van Wessel las de Kamerbrief en komt met een analyse.

Op 27 juni 2025 publiceerde het Ministerie van Buitenlandse Zaken een kamerbrief waarin het toekomstige beleidskader voor het maatschappelijke middenveld wordt geschetst. Er zijn kansen maar ook belangrijke valkuilen.

En daarnaast belangrijke weeffouten die nu nog hersteld zouden kunnen worden. Er is dus veel waar het ministerie nog mee aan de slag kan de komende tijd, in de verdere ontwikkeling hiervan. Liefst in samenspraak met het middenveld in Nederland en het mondiale Zuiden.

Lokaal eigenaarschap

Een belangrijk uitgangspunt in de kamerbrief is het belang van lokaal eigenaarschap. Dit is volkomen in lijn met het heersende inzicht dat organisaties en gemeenschappen in het mondiale zuiden zelf leiderschap over hun ontwikkeling dienen te hebben.

Het is begrijpelijk dat er een door het ministerie bepaalde thematische afbakening is. Het zou wel mooi zijn om de thematische keuzes te verantwoorden, mede vanuit dat lokale eigenaarschap, wat nu nog niet gedaan is. Ook lijkt me goed om die thema’s ruim op te vatten om te zorgen voor een goede aansluiting bij lokale agenda’s. Opvallend is verder dat er steun komt voor particulier initiatief vanuit Nederland, maar dat daarbij het lokaal eigenaarschap geen aandacht krijgt, terwijl ook hier dat probleem speelt.

Aandachtspunten die ik hier verder zou willen noemen zijn: zorg ervoor dat lokale organisaties ook daadwerkelijk in staat zullen zijn om op tijd en adequaat met voorstellen te kunnen komen. Maak de aanvragen breed bekend, in meerdere talen, en met kansen voor diverse typen organisaties. Dit om zo ook daadwerkelijk ruimte te bieden aan nieuwe, ‘lokale’ stemmen naast de gevestigde lokale organisaties die al vaak subsidie ontvangen van het ministerie.

Deze zijn vaak goed ingesteld op donoreisen, maar dat betekent niet dat zij lokaal legitimiteit genieten. Er kan zelfs behoorlijke spanning zitten tussen die twee vereisten. Flexibiliteit in donor-eisen kan meer ruimte bieden aan organisaties die nauw verbonden zijn met lokale sociale groepen en gemeenschappen.

Iets verwants: ga er niet vanuit dat lokale organisaties per definitie op adequate wijze perspectieven en belangen van lokale bevolkingsgroepen vertegenwoordigen. Relaties met die groepen kunnen zwak zijn, of weinig representatief. Zorg als ministerie en Nederlands maatschappelijk middenveld dat je weet hoe het zit met die verhoudingen in het ‘lokale’ maatschappelijke middenveld, en handel daarnaar. Bedenk daarnaast hoe je ervoor gaat zorgen dat je lokale organisaties steunt die legitimiteit genieten onder de groepen waarvoor zij werken. Het is belangrijk dat dit wordt opgenomen in het beleidskader.

Positief is verder dat er ruimte komt voor dienstverlening. Deze kan bijdragen aan legitimiteit en benodigde flexibiliteit voor de organisaties, betere inbedding in lokale contexten, en aansluiting bij directe behoeften van gemarginaliseerde groepen. Maar verplicht stellen om 30% aan dienstverlening te besteden lijkt me contraproductief – niet voor elk thema of programma is die dienstverlening immers even relevant.

Rollen voor Nederlandse organisaties

Maatschappelijke organisaties worden geacht een vooral ondersteunende rol te gaan spelen voor lokale maatschappelijke organisaties. Die rol wordt vooral gezocht in capaciteitsversterking en bijdragen van kennis.

De vertegenwoordigende en mobiliserende rol van de Nederlandse organisaties wordt niet erkend, en er wordt ook geen ruimte geboden om via het nieuwe kader daaraan te werken. Dit betekent een regelrechte reductie van de betekenis van het maatschappelijk middenveld in Nederland.

Vreemd genoeg wordt binding met Nederland dan weer wel genoemd waar het gaat om het particulier initiatief. Ik zou zeggen: trek dat idee door.

Capaciteitsversterking

Capaciteitsversterking heeft net als in het huidige beleidskader een belangrijke rol. Ik adviseer om een brede opvatting hiervan te hanteren – breder dan wat ik nu zie. Capaciteitsversterking verloopt vaak indirect. Niet alleen training en dergelijke, maar ook de kans om te werken aan een campagne, het opbouwen van een netwerk en het groeien in samenwerking met beleidsmakers kan capaciteit versterken. Dat kan ook gelden voor samen optrekken met een Nederlandse pleitbezorger.

En, misschien wel het meest belangrijk: ook zorgen dat, bijvoorbeeld, er voor meerdere jaren financiering is om enkele vaste krachten in samenwerking met vrijwilligers en partners de ruimte te geven hun werk uit te bouwen. Ook dit kan een zeer relevante vorm van capaciteitsversterking zijn. Een kans om te doen en daarin te groeien.

Verder: omdat veel van het werk van de lokale organisaties gericht zal zijn op de eigen context, kan niet verondersteld worden dat de Nederlandse organisaties in staat zijn te bepalen welke capaciteiten versterkt dienen te worden, of dat ze die in huis hebben.

Zorg ervoor dat de lokale organisaties een leidende rol gaan krijgen in het bepalen welke capaciteiten versterkt zullen worden, en hoe – en niet als vanzelfsprekend capaciteiten die de Nederlandse organisaties van belang achten of te bieden hebben. Ook dit zou aansluiten bij lokaal eigenaarschap. Het zal dus van belang zijn voor de Nederlandse organisaties om programma’s vanaf een vroeg stadium samen met lokale organisaties vorm te geven, op flexibele wijze.

De capaciteit kan bijvoorbeeld gericht zijn op beleidskwesties, veiligheidsvraagstukken of strategieën waar de Nederlandse organisaties weinig ervaring mee hebben, maar een andere lokale organisatie of een organisatie in een buurland wel. Open exploreren van mogelijkheden, behoeften en strategie is van belang hier.

Pleitbezorging

Positief is dat de brief erkent dat ontwikkeling politiek is, gezien de beleidsagenda waarin aandacht is voor thema’s als mensenrechten en fundamentele vrijheden, vrede en veiligheid, en eerlijke handel. En dat er ruimte blijft voor pleitbezorging, ook door Nederlandse organisaties.

Maar pleitbezorging in Nederland zal niet meer worden toegestaan. Dit is niet alleen een zeer teleurstellend zwaktebod van deze regering. Het is ook niet consistent met andere uitgangspunten in het beleidsplan, zoals de erkenning van het belang van fundamentele vrijheden en de rol van het maatschappelijk middenveld in een samenleving – ook de onze!

Het doet daarnaast geen recht aan de internationale aard van de door het ministerie zelfgekozen ontwikkelingsthema’s. Ook doet het geen recht aan de noodzaak tegenwicht te bieden aan de enorme bedrijfslobby in Nederland.

Tenslotte betekent deze stap belangrijke kapitaalvernietiging. Veel in de afgelopen jaren opgebouwde capaciteit in het Nederlandse maatschappelijke middenveld zal niet meer ingezet kunnen worden.

Zeer pikant is verder dat geen internationale lobby lijkt toegestaan op het thema schone en eerlijke handel; het document suggereert dat lokaal pleitbezorging op dit thema alleen zal mogen plaatsvinden via dialoog met bedrijven. Het is van groot belang dat dit aangepast wordt om de handelingsvrijheid van het middenveld te beschermen.

Pleitbezorging wordt voor de Nederlandse organisaties wel toegestaan op internationaal niveau op sommige andere onderwerpen – hiermee blijft gelukkig ruimte bestaan voor Nederlandse ontwikkelingsorganisatie om hun visie, kennis van beleidsprocessen, netwerk en kunde op internationale dit terrein te blijven gebruiken. Dit wijst op belangrijke mogelijkheden voor lokale en Nederlandse organisaties om elkaar aan te vullen, te steunen en samen te werken. Ik moedig de regering aan deze complementariteit als uitgangspunt uit te bouwen in het nieuwe kader, om daarmee recht te doen aan een belangrijke kracht van het Nederlandse maatschappelijke middenveld.

Samenwerking

Samenwerking valt, als voorheen leidend uitgangspunt, grotendeels weg in dit beleidsplan, net als ‘partnerschap’. Het gaat dan niet alleen om samenwerking met het ministerie, waar niet over gerept wordt, maar ook om samenwerking tussen de organisaties. Dit is vreemd, gezien de mate waarin het succes van de plannen afhangt van de mate waarin succesvolle samenwerking tot stand zal komen.

Dat men af wil van consortia, daar valt wat voor te zeggen. Maar samenwerking is meer dan dat. Men zal elkaar moeten vinden in dit programma, als partners, in wederzijdse erkenning, met het oog op groei in capaciteit en resultaat op lokaal en internationaal niveau.

Je kunt de Nederlandse organisaties niet reduceren tot ‘fondsbeheerder’ of intermediair, zoals de brief nu doet. Zij werken immers hoe dan ook vanuit een eigen perspectief, met eigen agenda’s, capaciteiten, opgebouwde relaties, et cetera. Samenwerking er weer sterker in brengen lijkt me een goed idee.

Ik vermoed dat de armoede op dit aspect in het beleidsplan samenhangt met een basale vraag: als lokaal eigenaarschap het uitgangspunt moet zijn, wat doen relaties en perspectieven en rollen voor het Nederlands maatschappelijk middenveld er nog toe?

Er is wel ruimte voor pleitbezorging voor meerdere fundamentele waarden, wat positief is. Maar tegelijkertijd lijkt het ministerie ook aan te sturen op een technocratische manager insteek, zonder duidelijke erkenning van de bezieling die mensen en organisaties drijft, zonder oog voor de noodzaak tot allianties te komen, en zonder stem in ons eigen land, of mogelijkheid de legitimiteit en aard van die stem verder te ontwikkelen via het nieuwe programma. Ik moedig aan hier snel van terug te komen.

Evaluatie

Tenslotte: evalueren wordt vereenvoudigd. Dit lijkt me wenselijk, gezien de mate waarin evalueren een tijd- en geldverslindend ritueel kan zijn. Maar het ministerie lijkt het gevolg niet te willen onderkennen: dat je minder te weten komt over resultaten en hoe die tot stand komen.

Nu wordt uitgegaan van het problematische uitgangspunt dat evalueren mogelijk is via het vaststellen van direct behaalde en meetbare resultaten. In werkelijkheid zullen veel belangrijke resultaten van de grotendeels politieke processen die ondersteund gaan worden niet eenvoudig en direct te meten zijn. Het ministerie schiet zich hiermee in de eigen voet, als dit onderdeel van het beleidsplan niet met oog hiervoor wordt uitgewerkt.

Lees de Kamerbrief op https://open.overheid.nl/documenten/2a62d2dd-a544-4932-8847-e872225fc1ed/file.

Dr. Margit van Wessel is Universitair Hoofddocent aan Wageningen University & Research en lid van de Strategic Communication Chair Group, margit.vanwessel@wur.nl

 

 

Jan Pronk: Tien geboden om vrede dichterbij te brengen

By Jan Pronk | 07 September 2026

Wat kan er nog worden gedaan wanneer oorlog eenmaal is uitgebroken? Jan Pronk formuleert tien aanvullende richtlijnen voor de-escalatie, onderhandelingen, humanitaire bescherming en herstel.

Lees artikel

Jan Pronk: Tien geboden om het uitbreken van oorlog tegen te gaan

By Jan Pronk | 03 September 2026

Vrede spreekt niet vanzelf. Welke politieke keuzes kunnen voorkomen dat internationale spanningen uitlopen op oorlog? Jan Pronk formuleert tien gebiedende richtlijnen.

Lees artikel

Making SDG Interactions work: From evidence to coherent and inclusive decisions

By Annita Kirwa | 31 July 2026

After four years of interdisciplinary research across Africa, the SDG Interactions and Policy Interventions in Developing Countries programme…

Lees artikel