Vandaag lanceert minister Sjoerdsma het Dutch Diamond Partnerships-programma. Overheid, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties moeten daarin gezamenlijk Nederlandse én lokale belangen dienen. Maar eerdere ervaringen met publiek-private samenwerking laten een ongemakkelijke les zien: zodra het Nederlandse model het vertrekpunt wordt, dreigen lokale problemen zich te moeten aanpassen aan Nederlandse oplossingen. Begin daarom niet met de diamant, maar met de vraag wat er lokaal nodig is.
Dutch Diamond. Je kunt tegenwoordig geen beleidsstuk over internationale samenwerking meer openslaan zonder deze woorden tegen te komen. Kort gezegd staat het voor partnerschappen tussen overheid, kennisinstituten, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld. Het klinkt als een wondermiddel: voedselzekerheid, waterbeheer, lokale economie én het Nederlands verdienmodel. Allemaal in één model gevangen. Mooi verhaal, bedacht in Nederland. Maar de praktijk is weerbarstiger.
Nu steeds meer bekend wordt over de vertaling van beleidsambities op de Dutch Diamond naar de praktijk, is het hoog tijd om te leren van het verleden. Dus een stap terugnemen naar de afgelopen decennia internationale samenwerking. Het is namelijk niet de eerste keer dat de Nederlandse overheid haar beleid uitrolt via publiek-private partnerschappen. Wat hebben we daaruit geleerd?
Uit eerdere ervaring weten we dat de gecombineerde doelen, duurzame ontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden stimuleren én het Nederlandse verdienvermogen versterken, niet naadloos op elkaar aansluiten. Sterker nog, ze zitten elkaar soms in de weg. Dat concludeert ook het IOB, de onafhankelijke evaluatiedienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken, in de evaluatie ‘Partners in Ontwikkeling’ uit 2021.
Als de oplossing het probleem bepaalt
Dat had allereerst te maken met hoe problemen en oplossingen werden geïdentificeerd. Dat gebeurde in Nederland. Stonden bedrijven in de lead, dan stond hun bedrijfsdoel centraal. Ondervoeding en water- of voedselonzekerheid moest daarom in lijn zijn met de oplossing dat het investerende bedrijf of de onderzoekende kennisinstelling kon bieden. Konden mensen ter plekke aan de eisen voldoen, dan werden zij leverancier of consument. De probleemanalyse schoot vaak tekort; de samenwerking rustte op aannames.
Een voorbeeld: in Kenia zou de export van sperziebonen bijdragen aan een hoger inkomen zodat het de voedselzekerheid van boerenhuishoudens zou vergroten. Het tegendeel bleek waar. De bonenteelt leidde tot waterschaarste, en die zette de lokale voedselzekerheid juist onder druk.
Draai het proces om
Hoe kunnen we het beter doen? Laten we het proces omdraaien. Niet starten bij het model, maar bij de vraag: wat is er lokaal nodig? Pas dán kijken wat Nederland daaraan kan bijdragen. Soms is dat één hoek van de diamant. Soms meerdere. Het diamond-model is een middel, geen doel, en altijd afhankelijk van de context. Soms is onze belangrijkste rol vanuit Nederland simpelweg het mogelijk maken en versterken van lokale samenwerking, zonder dat wij zelf in beeld komen.
Lokale inbedding is de sleutel tot succes op de lange termijn. Gelijkwaardigheid tussen partners is een voorwaarde, want neo-koloniale reflexen worden simpelweg niet meer geaccepteerd. En in een wereld die met de dag onvoorspelbaarder wordt, heeft Nederland stabiele, betrouwbare relaties nodig.
En wat levert dat Nederland op?
En ons eigenbelang dan? Dat verdwijnt niet. Door ons te gedragen als gelijkwaardige en betrouwbare partner bouw je aan relaties die stabiliteit bieden en vertrouwen wekken. Daar ontstaan handelsrelaties uit die blijven bestaan, ook in een onrustige wereld. Op prijs winnen we het toch nooit van de rest van de wereld. Op kwaliteit, en op betrouwbaarheid, wel.
Slijp de diamant lokaal
Ons pleidooi is simpel: begin bij wat lokaal nodig is. Om daar goed zicht op te krijgen is het noodzakelijk niet alleen bij de overheid te rade te gaan, maar ook andere belanghebbenden te consulteren: van boerengemeenschappen tot aan vrouwengroepen en jongeren. Ook het vandaag gelanceerde Dutch Diamond Partnership programma kan dat ter harte nemen. Slijp de diamant vanuit dat startpunt. Scherp waar het om het doel gaat, flexibel waar het om de betrokken partijen gaat. Niet andersom.
Karin van Boxtel is directeur-bestuurder bij Both ENDS.
Ellen Mangnus is onderzoeker op het snijvlak van hulp en handel bij Bestuurskunde, Wageningen University & Research.
Karin Andeweg is teamleider Water & Voedselzekerheid bij Wageningen University & Research.
Nout van der Vaart is beleidsadviseur voedsel en landbouw bij Oxfam Novib.
Localisation must come with power and money
Shrinking aid budgets could accelerate localisation, but for all the wrong reasons. If local organisations are expected to do more with less while money and decision-making remain elsewhere, power has not shifted at all. Dr Moses Isooba argues that the current crisis should become an opportunity to fundamentally rethink who controls development cooperation.
Lees artikelAfter the cuts: how Save the Children Gulu adapted when USAID funding ended
When USAID funding disappeared, the question for Save the Children Gulu was not whether children still needed help. They did. The harder question was how to keep protecting them with fewer resources. What followed was not retreat, but reinvention, building on local systems, empowering communities and finding new ways to keep child protection work alive.
Lees artikelBeter boeren na twee jaar Pragati
Twee jaar geleden, in 2024, startte het Pragati-project van Woord en Daad in de Indiase deelstaat Andhra Pradesh.…
Lees artikel